Kunst in de kijker

Parijs 2023, foto Marcel Bos

Marcel Bos, kunstfotograaf van moderne architectuur

Anneke Zwager

Op een mooie plek in Gaanderen, naast de stuw in de Bielheimerbeek, woont Marcel Bos met zijn vrouw Marian. Ze zijn actief en trekken er samen vaak op uit. En natuurlijk gaat de camera dan mee. Marcel legt de natuur en de leefomgeving vast, maar de laatste jaren richt hij zich vooral op moderne architectuur. Daar ligt zijn kracht en daarmee krijgt hij steeds meer bekendheid. Zo zijn zijn architectuurfoto’s in 2024 geëxposeerd in Galerie Zelhem.

Het begon met een voetbalvriend die een donkere kamer had en zijn foto’s zelf ontwikkelde en afdrukte. Door hem te helpen en de gesprekken daarbij kreeg Marcel steeds meer oog voor de mogelijkheden van fotografie. Jarenlang maakte hij als leraar op een basisschool foto’s en filmpjes van feestjes en uitstapjes met de leerlingen. De positieve reacties stimuleerden hem om zich daar verder in te bekwamen. Hij volgde een cursus bij Ton van Vliet in Terborg en later sloot hij zich aan bij Fotoclub Oostgelre.

Pas nadat hij was gestopt met zijn onderwijsbaan kwam er vaart in zijn ontwikkeling. Bijna elke week doorkruiste Marcel een stad en fotografeerde markante gebouwen. Inmiddels heeft hij in veel steden gebouwen vastgelegd. Zijn uitgebreide fotoarchief getuigt daarvan. Hij valt op moderne architectuur, gebouwen die vanuit een heldere visie zijn gebouwd. Vaak zijn dat gebouwen met een publieke functie zoals een station of een ziekenhuis, maar ook bedrijfsgebouwen of woningen. Tevoren heeft hij informatie ingewonnen over het gebouw en eventueel toestemming geregeld om ook binnen te kunnen fotograferen.

Het resultaat is verbluffend. Heldere lijnen, een strakke ritmiek, boeiende structuren en spiegelingen kenmerken zijn foto’s. Marcel fotografeert op een geheel eigen manier, bijvoorbeeld door details van een gebouw uit te lichten. Alles wat niet relevant is, laat hij weg. Vaak moet je goed kijken om de gebouwen te herkennen. Soms zijn het bijna abstracte beelden. Op zijn foto’s komen bijna geen mensen voor. Zijn motto is ‘Less is more’. De foto’s doen minimalistisch aan.

Het bewerken van foto’s is niet aan hem besteed. “Het is wat het is”,  zegt hij daar over. Het moet gewoon in één keer goed zijn. De compositie is voor hem het meest bepalend. Hij zal niet een kwartier wachten op de juiste wolk of het mooiste licht. Marcel is wat je noemt een snelle fotograaf.

Denk nu niet dat Marcel dure apparatuur heeft. “Je moet er oog voor hebben”, zegt hij, “dat is belangrijker dan welke apparatuur ook. En dat oog moet je trainen, dus veel fotograferen en daar goed over nadenken. Wat wil ik laten zien, wat vind ik echt boeiend? En daar zit een ontwikkeling in. Het gaat mij om de kracht van de eenvoud.”  Zijn stijl is in de afgelopen jaren strakker en abstracter geworden.

Sinds een jaar maakt hij deel uit van Fotoclub ‘De Trefkuul’ in Gaanderen. Foto’s van elkaar bekijken, samen fotograferen en ervaringen uitwisselen, daar wordt iedereen beter van. Want je ontwikkeling gaat door. Wie weet waar Marcel over vijf jaar staat.

marcelbos1957@gmail.com


Hoe KemperKip vanuit IJzevoorde Nederland veroverde

Carel de Vries

Ze liggen overal in het land in de schappen van supermarkten en speciaalzaken. Wie van een uniek, smakelijk stukje biologisch kippenvlees houdt, kent KemperKip. In zijn kantoor aan de Turfweg in IJzevoorde vertelt Herman Kemper hoe hij in veertig jaar een kleine maalderij uitbouwde tot een van de grotere ketens voor biologisch kippenvlees in ons land. 

We zitten aan tafel in de fraaie nieuwe woning van Herman, pal naast de plek waar het in 1923 allemaal begon. “Mijn grootvader, een molenaarszoon uit Breedenbroek, kocht hier toen een kruidenierswinkel aan de Turfweg 22, destijds aangeduid met IJ39, met daarachter een klassieke windmolen en een bakkerij. Boeren uit de omgeving brachten hier hun graan en daar maakte hij veevoer of roggebroden van. Tijdens de stormramp van Borculo in 1925 waaiden de wieken van de molen en schakelde mijn opa over op een dieselmotor met aggregaat om het graan te malen”, vertelt Herman. De ouders van Herman, Gerrit en Henny, namen de zaak later over en bouwden die verder uit. Er verrezen een grote voorraadschuur en een graansilo. Beide zijn inmiddels weer verdwenen. Ervoor in de plaats mocht Herman drie nieuwe boerderijwoningen aan de Turfweg bouwen, waarvan hij er één zelf bewoont.

Gerrit en Henny achter de toonbank

Wanneer je over de Turfweg fietst of wandelt zie je Gerrit en Henny nog achter de toonbank staan van hun kruidenierswinkel, vereeuwigd op het winkelraam. ‘H.Th. Kemper’ vermeldt het raam, de naam van de opa waarnaar Herman is vernoemd.

Vanuit de maalderij ontwikkelde zich een handel en productiebedrijf in veevoer. Herman stapte na afronding van zijn molenaarsopleiding in 1981 in het ouderlijk bedrijf dat hij vervolgens in 1989 van zijn ouders overnam. “Ik heb toen noodgedwongen de productie van veevoer langzaam afgebouwd. Wij konden als kleine molenaar domweg niet concurreren met de grote diervoederbedrijven die toen opkwamen. Rond 1995 hebben we uiteindelijk de voerproductie stilgelegd.”

Nieuwe start in de kippen

Maar voor het zover was had Herman al een nieuwe kans gegrepen. “‘Anton Berendsen uit De Heurne bracht mij in contact met een grossier in kippenvlees die een alternatief soort kippenvlees verkocht. Hij was op zoek naar boeren die die kippen konden leveren en naar een voerleverancier. Daar zijn we toen ingesprongen. Eerst maakten we het kippenvoer nog zelf, later heb ik dat uitbesteed aan anderen. Ik ging ook boeren werven die de speciale kippen wilden opfokken. Gaandeweg bleek het steeds lastiger om in Nederland aan geschikte kippen te komen. Toen ben ik zelf in het buitenland op zoek gegaan naar een geschikt ras. In 1990 startte ik met de import van eendagskuikens uit Frankrijk, dat heb ik 25 jaar gedaan. Nu zijn die rassen inmiddels ook verkrijgbaar in ons land.”

Aankoop van een slachterij

De volgende stap in de ontwikkeling van het bedrijf diende zich aan toen de grossier vroeg of Herman de kippen niet levend, maar geslacht kon aanleveren. Dat bleek nog niet zo eenvoudig, want de bijzondere kippen passen niet op de geautomatiseerde slachtlijnen van de grote slachterijen. Het zijn langzaam groeiende kippen met andere maten en een andere bouw dan de gangbare slachtkippen. Herman: “Uiteindelijk vond ik een kleine ambachtelijke slachterij in Uden in Brabant waar nog grotendeels handmatig wordt geslacht, die kon onze kip wel verwerken. In 1998 hebben we de slachterij toen die te koop kwam, overgenomen.”

Regisseur van de hele keten

Het doel van Herman was vanaf het begin, om de hele keten in handen te krijgen. Toen de grossier aan wie hij het kippenvlees leverde failliet ging, hoefde Herman niet lang na te denken om ook die laatste stap te zetten. Rond 1994 besloot hij het eindproduct zelf te gaan verkopen. De merknaam ‘Kemper Landhoen’ deed haar intrede.

Inmiddels is KemperKip een van de grotere leveranciers van biologisch kippenvlees in ons land. Bij de Plus supermarkten, Ekoplaza, speciaalzaken en sinds een paar jaar ook in een eigen winkel in Zelhem zijn de producten van KemperKip verkrijgbaar. Herman: “Onze kip is aanmerkelijk duurder dan gangbaar kippenvlees, maar het is dan ook ander vlees, diervriendelijker en biologisch. Het is ook steviger en smakelijker. Dat komt omdat de kippen langzaam groeien en veel meer bewegingsruimte hebben. Bij ons hebben de kippen in de stal twee keer zoveel ruimte als in een normale stal, bovendien groeien ze tweemaal zo langzaam en leven dus tweemaal zo lang. Dat betekent dat ik in dezelfde stal per jaar vier keer minder kippen kan produceren dan een gangbaar bedrijf. Daarnaast moet ik per kip vier vierkante meter vrije uitloop hebben. Ook het biologische voer en het ambachtelijke slachtproces zijn duurder.”

Het unieke KemperKip-concept floreert. En de toekomst lijkt verzekerd nu de vierde generatie Kemper zich klaarmaakt om het bedrijf voort te zetten. Joris Kemper, de oudste zoon van Herman is inmiddels commercieel manager van KemperKip.

‘Kemperland’

Van ééndagskuiken tot eindproduct in het winkelschap, na veertig jaar omvat KemperKip de hele keten. En nog is het verhaal van Herman niet klaar want sinds drie jaar is hij ook zelf kippenboer. Tussen Doetinchem en Wehl kocht hij acht jaar geleden een melkveebedrijf van 30 hectare om daar het oude plan voor park ‘Kemperland’ te realiseren. Verspreid over die 30 hectare komen meerdere unieke ronde kippenstallen te staan die Herman zelf ontwikkelde. Drie staan er al. Elke stal herbergt 4250 kippen. Tussen de stallen en de uitloopweiden voor de kippen komen beplanting en wandelpaden voor bezoekers. Twee stallen worden zichtstallen. Via een tunnel kom je daar in het midden van de ronde stal, waar je achter glas van heel dichtbij de kuikens en kippen kunt zien scharrelen. Herman: “Ik hoop binnen twee jaar Kemperland officieel te openen, dan kan iedereen, op afspraak, met eigen ogen komen bekijken waar zijn lekkere stukje biologisch kippenvlees vandaan komt.”


Gevaren in en om de Slangenburg

Gert Jan van ‘de Brouwer’

De kans om gebeten of gestoken te worden in en om de Slangenburg is groot! Nee, niet door wilde dieren, maar door insecten die op ons bloed uit zijn. Voor hen is het van levensbelang voor de voortplanting. Hoe kunnen we ons beschermen tegen deze bloeddorstige monsters?

Muggen kennen we allemaal. In een nat jaar zijn er veel, omdat ze zich voortplanten in stilstaand water. Door de droogte valt het dit jaar mee. De steekmug is de bekendste. Ze steekt met haar naaldvormige monddelen, vooral tegen de avond wanneer de zon verdwenen is. Maar bij donker en vochtig weer ook wel overdag.

Als IVN natuurgids begeleiden we soms studenten van de Pabo Iselinge. Korte broekjes, blote schouders en onweerstaanbare geurtjes: onze toekomstige onderwijzers zijn voor de muggen ‘happy hour’. De studenten hebben in ieder geval iets (op)gestoken. Sinds enkele jaren is er in Nederland ook kans op een ontmoeting met de exotische Aziatische tijgermug. Deze kleine, zwart-witte mug kan in warmere gebieden ziektes overbrengen.

Een beestje dat wel van droogte houdt, is de teek. Dit jaar zijn ze veelvuldig in grasland en lage bosjes aanwezig. Zelfs bij onkruid wieden in de tuin kun je een tekenbeet oplopen. Teken kunnen onder andere de ziekte van Lyme overbrengen. Snel verwijderen is de beste oplossing en houd daarna de gebeten plek goed in de gaten om te zien of er een kring om de beet ontstaat. Ook huisdieren en zelfs vogels kunnen last hebben van teken.

Dan zijn er de dazen, in het dialect ‘blinden’, maar ook wel paardenvliegen genoemd. In de Slangenburg en het omliggende agrarische gebied komen deze vervelende bijters in meerdere soorten voor. Hun beet is pijnlijker dan die van een mug en kan meer ongemak veroorzaken door zwelling of een allergische reactie. Zelfs door dunne kleding heen kan dit insect je bijten. Ze reageren sterk op geuren en warmte: een zwetend lichaam trekt ze juist aan. Bij paardenhouders zie je vaak de typische dazenval die bestaat uit een bewegende bal met daarboven een vangnet.

Als laatste noem ik de wespen met de hieraan verwante Europese hoornaars. Wespen bijten niet, maar steken met een angel, net als bijen. Er is nog een groot verschil omdat wespen geen bloed van mensen of dieren nodig hebben om zich te voeden. Muggen, teken en dazen hebben eiwitrijk bloed nodig om zich voort te planten. Een wesp steekt alleen als hij zich bedreigd voelt. Wespen en hoornaars eten van alles: vruchten voor de suikers en insecten voor de eiwitten. Eigenlijk zijn het ‘nuttige’ afvalopruimers. Alleen de locatie van hun nest kan voor overlast zorgen. En net als bij de muggen is er nu ook een agressieve invasieve exoot bijgekomen namelijk de Aziatische hoornaar. In Doetinchem is vorig jaar al een nest geruimd. De bijenvereniging is hier alert op omdat deze exoot bijenvolken kan uitroeien.

Wat kunnen we doen tegen deze bijters en stekers?

Ten eerste voorkomen dat je gebeten wordt door bijvoorbeeld je kledingkeuze. Een boswachter zal nooit in een korte broek, T-shirt en sandalen door het bos lopen. Ook is het verstandig om een anti insecten middel te gebruiken, zeker tegen de avond. Er zijn middelen zonder DEET, op basis van citroen- en eucalyptusextracten. DEET kan bijwerkingen veroorzaken. Het nut van een insectenwerend middel is dat het het reukvermogen van muggen, dazen en teken verstoort. Je kunt je geur ook maskeren met fijngewreven planten zoals citroenmelisse, munt, lavendel, rozemarijn en geranium. Vergeet na een wandeling niet de tekencontrole. Teken verwijder je met een tekenpen, een pincet of gewoon tussen twee nagels. De Aziatische hoornaar en de tijgermug kun je melden bij de NVWA. (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) 

Nest van een hoornaar. (aan de Kommendijk)


Betula Kruiden

Hanneke van de Velde

De wens van vroeger, een huis buitenaf met een eigen kruidentuin, is ruimschoots uitgekomen. Dat is te zien aan de prachtige kruidentuin op het terrein waar Betula is gehuisvest, aan de Lankerseweg 3a in Halle. Op eigen grond kweekt Thea van Hoof de kruiden voor haar kruidenmiddelen, waarvan de recepten zijn gebaseerd op eeuwenoude tradities. Inmiddels draagt ze haar kennis ook over via workshops en cursussen.

Achtergrond

Al van jongs af aan heeft Thea ‘iets met plantjes’ en met buiten zijn. Dat bepaalde ook haar keuze voor een landbouwgerichte opleiding. Na in aanraking te zijn gekomen met de medische wereld, switchte ze naar de studie geneeskunde in Nijmegen, waar ze ruim vijf jaar met veel interesse studeerde. Maar haar nieuwsgierigheid naar de basiskennis van oude geneeswijzen zorgde ervoor dat ze uiteindelijk koos voor een studie aan de Hogeschool voor Natuurgeneeswijzen.

Daarnaast volgde ze kruidenzomerweken en tijdens haar studententijd was ze vaak te vinden in de Ooijpolder, waar ze kruiden plukte in tuinen. Zo groeide haar kennis en liefde voor het vak. Samen met haar man vestigde de zich in Halle om daar hun wens vorm te geven. De kruidentuin was er zelfs al voordat het huis er was.

Opgeleid als natuurgeneeskundig behandelaar begon Thea kruiden te  telen en geneeskrachtige kruidenmiddelen te maken. Dit doet ze inmiddels al zo’n veertig jaar, waarvan ruim acht jaar op commerciële basis.

Werkwijze

Bij het bereiden van haar kruidenmiddelen werkt Thea met verse planten. “Verse planten geven ook leven en lijken een sterkere werking te hebben”, geeft Thea aan. Dit betekent wel dat het werk in pieken en dalen komt, afhankelijk van het seizoen en de oogstmomenten. Het verwerken van de kruiden gebeurt altijd op haar locatie in Halle.

Ontwikkelingen

Ook hier heeft Corona invloed gehad. Na de coronavirus pandemie was er meer belangstelling voor hoe mensen op natuurlijke basis zelf iets konden doen om gezond te blijven of te worden.

Nederland is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitsland, veel minder gericht op kruiden en het gebruik daarvan voor de gezondheid. Ook is de wetgeving op dit gebied hier streng.

Via de webwinkel van Betula worden de producten naar zowel België als Nederland verstuurd.

Soms ontstaan er bijzondere samenwerkingen met buurtgenoten. Zo ontwikkelde Thea samen met buurtgenoot Inge van ‘De Goedgevulde’ (bekend van de scharrelvarkens) de ‘Halse huidolie.’ Ook krijgt ze verzoeken om producten met een specifieke toepassing te maken.

Cursussen en workshops

In eerste instantie had Thea niet de intentie om kruidencursussen te geven. Maar de vraag naar haar kennis bleef terug komen. Ze begon kleinschalig, maar inmiddels deelt ze nu bijna wekelijks haar kennis over kruiden en hoe daar werkzame middelen van te maken. Er is zelfs een wachtlijst voor de cursussen.

Tijdens de cursus leren deelnemers zelf de kruiden te verzamelen en daar een tinctuur of zalf van te maken.

Bijzonder daarbij is dat, door het veranderende weer, het steeds minder voorspelbaar wordt welke kruiden op een bepaald moment beschikbaar zijn. Ook hier speelt klimaatverandering dus een rol.

Ben je nieuwsgierig naar wat Thea verder allemaal doet, kijk dan eens op https://www.betula-kruiden.eu/


Een ijzersterke formule in IJzevoorde

Carel de Vries

“Dat is de eerste vraag die iedereen ons stelt: wat betekent dat toch, De Pokkershutte?” Henk Houwers vertelt het lachend. Ook de schrijver van dit verhaal begint met die vraag. Op Google kon hij het antwoord niet vinden. “Pokker is een oud woord voor marskramer”, vertelt Henk. “Er schijnt hier vlakbij aan de Loordijk in IJzevoorde vroeger een pokker te hebben gewoond in een hutje. Vandaar.”

Ervaren bestuurder neemt afscheid

Nu is De Pokkershutte allesbehalve een hutje, maar een indrukwekkend multifunctioneel centrum. Heel bijzonder eigenlijk om dat tegen te komen in een kleine buurtschap als IJzevoorde. Het pand omvat een basisschool met vier lokalen en honderd leerlingen, een sporthal en een cultureel centrum. Maar liefst elf clubs en verenigingen maken gebruik van De Pokkershutte. Naast de basisschool varieert dat van een toneelvereniging tot volleybalvereniging, bejaardensoos en kinderopvang. Met de contributie van al die clubs beheert Stichting IJzevoorde en Omgeving het pand. Henk is sinds 2017 voorzitter van de stichting die verantwoordelijk is voor de exploitatie ervan. Onlangs heeft hij aangekondigd de voorzittershamer aan een ander over te willen dragen.

Henk: “Ik had vier jaar geleden, toen ik tachtig jaar werd, al willen stoppen, maar vanwege corona en vooral vanwege ons grote verduurzamingsproject is het er toen niet van gekomen.”

Dat verduurzamingsproject was het tweede grote wapenfeit waaraan Henk als bestuurder heeft gewerkt. Het eerste was de bestuurlijke reorganisatie die hij direct na zijn komst als voorzitter heeft opgepakt. Henk: “We hadden een bestuur van vijftien personen, dat was niet erg efficiënt. Veel te weinig slagvaardig. We hebben het toen teruggebracht naar een bestuur van vijf personen en een raad van toezicht van vijf personen. Ook de statuten hebben we toen grondig herzien. Daarmee borgen we goed bestuur, vrijwaren we bestuurders van persoonlijk risico en kunnen we sneller beslissingen nemen.”

Henk praat als een ervaren bestuurder en dat is hij ook. Naast een verantwoordelijke baan bij de arbeidsinspectie heeft hij altijd bestuurlijk werk gedaan. “Ik geloof in dit soort werk. De samenleving moet zich van onderop organiseren. Samen kunnen we dan veel moois tot stand brengen. En dat samenwerken, dat zit in deze regio in onze genen. Dat zijn we van oudsher gewend.”

Hard werken, mooi resultaat

De slagvaardigheid van het nieuwe bestuur was hard nodig toen in 2018 de renovatie en verduurzaming van De Pokkershutte werden opgepakt. Dat was een groot project waarmee veel geld was gemoeid. “Het was één van mijn zwaarste, maar ook mooiste klussen”, zegt Henk. Het was complex omdat zijn stichting het eigenaarschap van de Pokkershutte deelt met Scholengroep GelderVeste en de gemeente Doetinchem. Die laatste is eigenaar van de sporthal. Het culturele centrum is eigendom van de stichting. Het project bezorgde niet alleen Henk, maar ook zijn rechterhand Lies Ankersmit heel veel werk. Lies: “Ik ben als beheerder de enige werknemer bij stichting IJzevoorde en omgeving. Dat doe ik nu al meer dan dertig jaar met heel veel plezier.”

Lies vertelt over de renovatie: “Het was echt hard nodig. De toiletgroep was veel te klein voor de grote groepen die we hier ontvangen en bovendien oud en versleten. Ook moest er een nieuwe plek komen voor de opslag van stoelen en materialen. Maar bovendien moest het gebouw geïsoleerd worden. Dat was ten tijde van corona, toen de energieprijzen zo extreem opliepen, extra actueel.” Het gaf haar veel drukte, want ‘de winkel’ moest wel openblijven tijdens de verbouwing. En de honderdvijftig vrijwilligers die bij De Pokkershutte betrokken zijn, konden hun aanspreekpunt niet missen. “Maar het is allemaal prachtig geworden”, zegt Lies. “Ik geniet er elke dag van.”

Kandidaten kunnen zich melden.

Trots leiden Henk en Lies mij rond door het gebouw. Het is inderdaad prachtig geworden en het gonst ook op deze doordeweekse middag in het hele gebouw van de activiteiten. Eenmaal buiten aangekomen zegt Henk: “We hebben hier een ijzersterke formule in IJzevoorde. Wie interesse heeft om deze mooie taak van mij over te nemen kan zich bij mij of de raad van toezicht melden. Maar je moet ook overdag zo nu en dan wel beschikbaar zijn. Met alleen de vergaderingen voorzitten red je het niet.”

De spannende start van de Pokkershutte

“In 197 was het erop of eronder. De gemeente wilde de school sluiten. Als de voorzitter van het schoolbestuur, Jan Kuilwijk, toen niet in actie was gekomen, hadden we nu geen Pokkershutte gehad.” Dit zegt Herman Lenderink, als jonge twintiger maakte hij het hele avontuur mee.”Het is in IJzevoorde allemaal begonnen met de school. Daar werd later de huidige toneelzaal bijgebouwd die bedoeld was als gymlokaal voor de school, maar ook werd gebruikt door de toneel- en gymnastiekvereniging, de zangvereniging en de jongens- en meisjesvereniging. Deze clubs waren verenigd in een werkgroep. Ik was namens de gymnastiekvereniging lid van die werkgroep.”

Toen de toekomst van de school en daarmee de locatie op het spel stond, kwam de werkgroep onder leiding van haar nieuwe voorzitter Jan Kuilwijk in actie. Hij had vanuit zijn bedrijf contacten met het ministerie en wist dat er een subsidie bestond voor de ontwikkeling van culturele centra in dorpen. “Wij zijn toen onder leiding van Jan naar Den Haag gegaan. De verantwoordelijke man bij het ministerie wilde ons wel helpen. maar dan moest er een plan en een stichting komen. Eind 1977 hebben we toen de Stichting IJzevoorde en omgeving opgericht met Jan als eerste voorzitter, Ik kreeg, als jonge knul, de functie van penningmeester toebedeeld. Dat heb ik vervolgens 17 jaar volgehouden”, vertelt Herman, het laatste nog levende lid van het oprichtingsbestuur.

Ambitieus plan

Het plan dat de werkgroep opstelde was ambitieus. De verbouw van de bestaande accommodatie en de aanbouw van de nieuwe sportzaal met kleedkamers was begroot op 1,1 miljoen gulden. Het rijk wilde voor 90% subsidiëren, de rest van het geld moest van de gemeente en de verenigingen komen. De gemeente wilde uiteindelijk 61.000 gulden bijdragen waardoor er 31.000 gulden voor de verenigingen resteerde. “Maar we hadden geen cent” zegt Herman. “Om de subsidie van Rijk en Gemeente toch los te krijgen hebben we ons als bestuursleden van de stichting persoonlijk garant gesteld voor het resterende bedrag. De bestuursleden gingen persoonlijk langs bij alle leden van de verenigingen en ze organiseerden de allereerste IJzevoordse rommelmarkt. Het werd een groot succes”., vertelt Herman.

“We gingen ruimschoots over het benodigde bedrag heen en hebben daar nog meubeltjes van kunnen kopen”.

Eind 1979 was het dan zover: het nieuwe kloppende hart van IJzevoorde werd officieel geopend en heet sindsdien “Pokkershutte”.


Wereldkampioenschap Hollandse Herdershonden

Toos Lenderink

Op 4 mei vond in Gaanderen het wereldkampioenschap plaats van de World Dutch Shepherd Foundation. Maar liefst 128 deelnemers uit 21 verschillende landen namen deel aan dit tweedaagse evenement. Het kampioenschap bestond uit vier disciplines:

  • IGP (Internationale Gebrauchshunde Prüfungsordnung): speuren, appèl en verdedigingswerk (ook wel pakwerk genoemd).
  • Mondioring: gehoorzaamheid, behendigheid en bescherming.
  • Agility: het zo snel en behendig mogelijk afleggen van een hindernissenparcours.
  • Obedience: draait volledig om gehoorzaamheid en de samenwerking tussen hond en begeleider.

Op de velden waar normaal gesproken gevoetbald wordt, zag je nu telkens één hond met zijn of haar begeleider in opperste concentratie. Het publiek keek in stilte toe en klapte pas na afloop. Talloze talen klonken om me heen, maar opvallend weinig geblaf.

Unieke locatie

Gerard Besselink, van de hondensportvereniging Slingeland uit Gaanderen, legde mij enthousiast het één en ander uit over deze voor mij onbekende sport. Zelf is hij oud-deelnemer aan het WK in Boston (1999), gediplomeerd instructeur en voormalig trainer van het Nederlandse WK-team.

De club had eerder al vier keer het Nederlands kampioenschap georganiseerd, maar dit was hun eerste wereldkampioenschap. De keuze viel op Gaanderen omdat hier alles aanwezig was: de voetbalvelden van VVG, het gebouw van schutterij Sint Martinus (voor loting en BBQ) en sporthal De Pol (als logistiek centrum) boden alle benodigde faciliteiten. Omringende verenigingen stelden hun terreinen beschikbaar voor de trainingen voorafgaand aan de wedstrijden. Liefst zestig vrijwilligers hielpen mee aan dit grootschalige evenement!

“De saamhorigheid in deze regio maakt zoiets mogelijk”, vertelde Gerard trots. Ook het regelen van onderdak voor juryleden en trainers viel onder de verantwoordelijkheid van de club. Meerdere familieleden van Gerard waren het hele weekend druk in de weer.

Hondensport: gebaseerd op vertrouwen

Gerard’s liefde voor honden begon al in zijn jeugd, maar pas toen hij verkering kreeg met Trudy en er bij haar thuis ruimte was voor een kennel, kwam zijn droom echt tot leven. “Honden zijn sociale dieren. Op het veld ‘staan ze aan’, maar daarna kun je ze gewoon aanhalen. Ik ben al vijftig jaar instructeur en nog nooit gebeten. Er is geen hond die hier vecht en niemand doet vervelend. Veel mensen hebben een verkeerd beeld van deze sport.”

Volgens Gerard is hondensport volledig gebaseerd op vertrouwen en beloning. “Zonder beloning – of dat nu een aai, een snoepje of een speeltje is – zal een hond een opdracht simpelweg niet herhalen.” Hij volgde door de jaren heen talloze cursussen en behaalde zowel theoretische als praktische examens. Zijn ervaring maakt dat hij de lichaamstaal van honden moeiteloos leest en stresssignalen direct herkent – bij elke hond op het terrein.

Een kwestie van karakter

“Een hond en zijn begeleider moeten qua karakter bij elkaar passen. Alleen dan kom je tot topprestaties”, besloot Gerard ons boeiende gesprek. “Honden kunnen veel meer dan de meeste mensen denken.”


Winnaars van dit kampioenschap:

onderdeelbaasjehondland
IGPSimon WillfortBazinga van de PostheuvelOostenrijk
MondioringKristian GervasioNick Des Soldats de Krist AleItalië
AgilityAli ErskineDay Sibacha Bonremo VemsilumpaCanada
ObedienceMarco de NicoloVernita Green Kill BillItalië


De spechten van de Slangenburg

Tekst Gert Jan ‘van de Brouwer’, foto’s Frans Witjes

Tijdens de IVN-vogelwandeling in de Slangenburg op 13 april genoten de bezoekers van de vijf voorkomende spechtensoorten. Ze waren in dit warme weekend nog net zichtbaar. Enkele dagen later waren de bomen opeens in het blad. Door de afwisseling in naald- en loofbos en relatief veel oude bomen komen er veel spechten voor in de Slangenburg. Het helpt ook dat er tegenwoordig meer dood hout blijft liggen, zoals bijvoorbeeld in het Sterrenbos. In dood hout zitten insecten die dienen als voedsel voor spechten. Veel oude, en soms nog overeind staande, dode bomen zitten vol met door spechten gehakte nestholtes. Alle spechten zijn standvogels en het hele jaar dus te zien.

We herkennen allemaal de korte roffel van de meest voorkomende grote bonte specht. Dit roffelen doet hij om zijn territorium aan te geven. Deze specht hakt ronde gaten en heeft een voorkeur voor zachte houtsoorten. Ze eten het hele jaar insecten maar smullen ’s winters ook van sparren- en dennenzaden. Je kunt hem ’s winters zelfs op de opgehangen mezenbollen zien zitten.

De kenmerkende lachende of hinnikende roep van de groene specht kun je in het voorjaar veelvuldig horen in de Slangenburg. Deze groene specht met het rode petje zul je niet horen roffelen maar je treft hem mogelijk wel aan in je tuin terwijl hij mieren aan het zoeken is. Ook deze specht hakt een hol in een loofboom.

De zwarte specht heeft een groot territorium en roffelt langer en zwaarder dan de bonte. Ze hakken elk jaar een ovale nestholte in een gladde beuk. Hierdoor is hij minder kwetsbaar voor de boommarter. Behalve de roffel maakt hij een typische kru, kru, kru geluid als hij vliegt. Hun voedsel bestaat uit houtinsecten die ze vooral zoeken op dode boomstronken in zowel naald- als loofbos.

Vroeger zeer zeldzaam, maar nu vooral in het oosten van het land in opmars, de middelste bonte specht. Hij lijkt op de grote bonte, maar is iets kleiner, heeft een wittere kop met een rood petje en een roze buik. Ze zoeken hun voedsel in oude eiken en broeden vaak jaren achter elkaar in dezelfde nestholte. Roffelen doen ze niet, maar ze geven hun territorium weer door een typische roep die lijkt op het geluid van een gaai.

Als laatste de moeilijk te vinden kleine bonte specht, een vogeltje ter grootte van een mus. Deze roffelt zo snel als een naaimachine. Soms is ook de hoge en snelle roep te horen. Dit kleine vogeltje hakt zijn holletje in zacht hout zoals een wilg, berk of populier. Je bent een geluksvogel als je deze bijzonder specht spot in de Slangenburg.

Door de gehakte holen van de spechten hebben veel andere vogels gratis nestruimte. Spreeuwen, holenduiven, kauwen, maar ook de boomklevers maken gebruik van de oude spechtenholen. Deze laatste metselt de opening met modder zelfs kleiner om veiliger voor rovers te kunnen broeden. De spechten – en dan vooral de grote bonte en de zwarte specht – zijn gelukkig ook gek op de letterzetter. Deze schorsetende kever tast vooral de fijnsparren aan in de Slangenburg. Spechten zijn natuurlijke bestrijders van dit voor de bosbouw schadelijke insect.


Zo komt de Boode bij u in de brievenbus

Al snel na het verschijnen van een Boode komt de redactie weer bij elkaar. We bespreken ons wel en wee en de net verschenen Boode: wat was er goed en wat kan er beter? Daarna gaat het over de komende uitgave: wie heeft er ideeën? De taken worden verdeeld en iedereen gaat hiermee aan de slag. Onze trouwe gastredacteuren krijgen een mail met de vraag of ze weer willen meewerken. Door al deze verschillende mensen met hun eigen interessegebied krijgen we een mooi gevarieerde inhoud.

De bijdrage van Jan Berends kwam altijd als eerste binnen. Ik begin meteen met lezen en puzzelen: uit hoeveel woorden bestaat een artikel? Hoeveel ruimte blijft er over voor foto’s, een kader of een quote? Past het allemaal of moet er ingekort worden? Heeft het bestuur nog mededelingen? Staan er nog (spel)foutjes in de verhalen?

Onze vaste fotograaf Annie gaat op pad, waarbij ze soms languit in de modder terechtkomt of tevergeefs op iemand wacht die de afspraak vergeten is. Of ze moet bovenop een kar klimmen. Poeh!

Samen zoeken we de best passende foto’s bij een artikel. Het blijft moeilijk hierin een keuze te maken. Soms moet een mooie foto wijken voor een foto die beter bij de inhoud past.

Als de indeling klaar is, ga ik met een usb-stick waarop alle gegevens staan en een mapje tekeningen naar de drukker. Daar bespreken we samen, pagina voor pagina, de hele Boode.

De eerste proefdruk is altijd spannend. Er wordt nog veel aan aangepast, verschoven en verbeterd. De tweede proefdruk gaat ook naar de redactieleden met het verzoek om eventuele aanpassingen door te geven. Als iedereen tevreden is, krijgt de drukker de opdracht om weer 550 exemplaren te drukken.

Staan de dozen met Boodes klaar, dan gaat Didy Jakobs naar Didam om ze op te halen. Bij Riny thuis worden ze vervolgens gebundeld. Frank van Maren print vooraf de bijgewerkte namenlijsten uit. We schrijven de enveloppen die op de post moeten voor donateurs die verder weg wonen. Binnen ons gebied wordt er per bezorger een stapel gemaakt. De stapels worden door Harry Keurentjes opgehaald en bij tweeëntwintig vrijwillige bezorgers thuisgebracht. Deze mensen stappen vervolgens op de fiets of in de auto om de nieuwe Boode bij u thuis af te leveren. In totaal hebben er dan vierendertig vrijwilligers aan meegewerkt!

Bennie Arendsen, een van de vrijwilligers op zijn route

Kunst in de kijker

Ceciel Thuijs, keramiste

Anneke Zwager

Op een vrijdagmiddag rijd ik naar het voormalige pand van kapper Jolink aan de Hoofdstraat 49 in Gaanderen. Nu geen haardrogers meer in de etalage, maar potten, vazen en kunstwerken. Binnen zie ik planken vol emmertjes met verschillende soorten klei en met mineralen om glazuren te maken. Er staan een oven, een plaatwals en heel veel gereedschappen.

Ceciel heet me welkom in haar atelier. Ze is zojuist thuisgekomen van haar werk in de Zonnekamp in Zelhem. Ze vindt het fijn werk, omgaan met ouderen. En hoe heerlijk is het om daarna het atelier in te duiken en op te gaan in haar keramiek. Het werken met de handen en dingen maken heeft ze van haar moeder. Haar vader was zeeman, moeder was lange tijd alleen thuis en hield ervan om te ‘prutsen’ zoals zij dat noemde. Vooral de uurtjes rond de tafel bij oma, samen met moeder vervullen Ceciel nog met warme herinneringen. Daar is haar fascinatie voor het werken, het spelen met klei en glas ontstaan.

In de loop van de jaren woonde Ceciel in Doetinchem, Zelhem en Gaanderen, altijd rond de Slangenburg. Ze houdt ervan om zich te blijven ontwikkelen. Er volgde een periode waarin ze verschillende opleidingen volgde zoals een coupeuse-opleiding, en ze kreeg een gezin met vier kinderen. 

Pas door de lessen bij Froukje Heering, pottenbakster in Ulft, werd ze gegrepen door de keramiek. Na het overlijden van Froukje kreeg ze veel van haar materialen overgedragen. Daarna deed ze de professionele ambachtsopleiding aan de Nederlandse Keramiekopleiding.

Ze is vooral geïntrigeerd door het stookproces: wat gebeurt er in die oven en hoe kun je dat proces sturen? Daar deed ze veel onderzoek naar door kleine blokjes klei te bestrijken met verschillende glazuren en op diverse temperaturen te bakken. Zo zag ze wat de effecten waren in verschillende omstandigheden. De recepten noteerde ze voor een volgende keer. Het is een chemisch proces dat leidt tot de mooiste resultaten.

Voor haar vrije werk haalt Ceciel inspiratie uit de bomen in de Slangenburg, die haar blijven boeien. Ik zie een vaas in de vorm van een boom en een pot met de structuur van boombast. Verderop herken ik de takkenstructuur op een vaas.  Daarnaast maakt ze net zo makkelijk een vaasje van glas of een kop van gips. Ze experimenteert tevens met Japanse en Romeinse technieken. “Er zijn zoveel mogelijkheden als je met klei en glas gaat werken. Ik zou het graag allemaal doen maar het is teveel om in één leven te behappen,” zegt Ceciel.

De keramiek brengt haar door het hele land. Haar contact met collega-keramisten leidt tot samenwerkingen, het uitwisselen van ervaringen en exposities. Zo is ze lid van Het Web (de kunstenaarsvereniging in Doetinchem), van Keramiek Centraal en de Zoutstookwerkgroep Nederland. Ze bewondert het werk en het kunstenaarsleven van Maria Gezler, een Hongaarse keramiste die zeefdrukken op keramiek maakt.

Dit jaar is Ceciel begonnen aan de opleiding Glaskunst aan de Kunstacademie in Mechelen, België. Heerlijk vindt ze het om weer nieuwe stookmogelijkheden te ontdekken. De combinatie van klei en glas lijkt haar mooi. “Het ontdekken, het ‘spelen’ is zo leuk om te doen”, zegt ze, “en het geeft innerlijke rust. Ik kan het iedereen aanraden.”

Meer weten?

www.cecielthuijs.com