Zorgcentrum De Zonnewijzer

Hanneke van de Velde

Op het terrein van dit zorgcentrum in Halle is het een komen en gaan van toeleveranciers van klusmaterialen. De ontvangst door directeur Anita van der Poel is dan ook in kluskleding, weggehaald van de verfklus waar ze net mee bezig was. De rondleiding door de kleinschalige dagbesteding laat al de eerste veelbelovende resultaten zien. De nadruk op het hier sinds 1 oktober gevestigde zorgcentrum ligt op kleinschaligheid.

Op de locatie aan de Halle Nijmanweg is dagbesteding mogelijk voor mensen met een fysieke of mentale beperking, waaronder dementie. De missie van de Holland Zorggroep waartoe De Zonnewijzer behoort, is dat mensen hier kunnen zijn zoals ze zijn. Niets hoeft, maar alles mag. Om cliënten een vertrouwd gevoel te geven, wordt er voornamelijk gewerkt met vaste medewerkers. Zo hoeven de mensen niet elke keer aan een nieuw gezicht te wennen.

Het ontstaan

Van huis uit is Anita van der Poel accountant. Vanaf 2009 was zij vanuit die functie al betrokken bij de Holland Zorggroep als extern financieel adviseur. Door haar grote betrokkenheid bij deze zorginstelling verloor zij haar hart aan de ouderenzorg. Belangrijkste gedachte daarbij was, wat er nog beter zou kunnen. Dit leidde er in 2018 toe dat zij de stap nam om de Holland Zorggroep zorgvilla in Bilthoven over te nemen. Mei 2020 volgde de tweede zorgvilla in Lunteren. Als laatste volgde De Zonnewijzer in oktober 2020, toen nog gevestigd in Zelhem. Inmiddels is De Zonnewijzer per 1 oktober jl. verplaatst naar Halle waar de renovatie nu in volle gang is. Het oude schoolgebouw dat

De Zonnewijzer ooit was, is niet meer te herkennen als je binnen door de ruimtes loopt.

Themaruimtes

Sfeervolle themaruimtes worden er gecreëerd in het oude schoolgebouw, zoals een van veel ramen voorzien schilderatelier met de sprekende naam Van Gogh-kamer. Ook de Kluskamer voor het grotere kluswerk en de Herenkamer voor de fijnere handenarbeid bieden de mannelijke cliënten de mogelijkheid om op klusgebied van alles aan te pakken. In de Kluskamer komen echte werkbanken te staan en al het gereedschap wat nodig is. Een Rustkamer ontbreekt ook niet. Hier kunnen cliënten zich terugtrekken als ze een moment van rust nodig hebben. Er staan vier bedden met tussenschotten, zodat er voldoende privacy en rust is voor degenen die een moment voor zichzelf nodig hebben. Ook de stijlvolle bibliotheek met de mooie naam Annie M.G. Schmidt-kamer spreekt tot de verbeelding. Hier kan een boek of de krant worden gelezen. Tot in de details wordt er aandacht besteed aan de ruimtes. Dit is terug te zien in de mokken met Van Gogh-afbeeldingen in het schilderatelier en het kunstgras in de Tuinkamer, alsmede de prachtige wandvullende afbeeldingen in iedere ruimte.

Ook buiten wordt het nog grondig aangepakt. Volgende maand worden er Jeu-de-Boules-banen aangelegd. Een groentetuin staat ook in de planning, evenals een kweekkas. Deze komen dan in het zicht van de Tuinkamer te liggen, zodat de beleving van tuin ook vanuit deze groene Tuinkamer optimaal is. Hier kunnen de cliënten zelf ingrediënten voor de dagelijkse maaltijden kweken en deze vervolgens ook weer zelf in de keuken bereiden. Met ditzelfde doel wordt er nog een kleine fruitboomgaard aan het geheel toegevoegd.

Doel van dit alles is het creëren van een omgeving waar iedere cliënt zich thuis voelt en waar meer gebeurt dan alleen koffiedrinken. Straks kan de cliënt doen waar hij of zij op dat moment zin en behoefte aan heeft, of dat nu klussen, schilderen, wandelen of tuinieren is. En alles in eigen tijd en tempo. Vast onderdeel is wel de dagelijkse wandeling. Bewegen en frisse lucht zijn belangrijk voor de mens. Daar wordt dan ook veel aandacht aan geschonken. Ook meewerken in de keuken behoort tot de mogelijkheden.

Vanwege Corona worden de verschillende ruimtes nu breder gebruikt, bijvoorbeeld de bibliotheek wordt nu ook ingezet om er in kleine groepjes te eten. Normaal wordt dit in een grote ruimte gezamenlijk gedaan. Er wordt nu ook gegeten aan afzonderlijke, kleine tafels die ruim verspreid in de eetzaal staan, in plaats van aan een gezamenlijke grote tafel. Zo wordt de 1,5 meter afstand ook hier gegarandeerd. Ook is de bezetting niet maximaal nu om voldoende ruimte te hebben om de Corona-maatregelen te kunnen garanderen. Zo kan de zorg nu ook gewoon doorgaan, een zorg die broodnodig is om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen. Bovendien blijven de mensen actief en behouden ze hun vaardigheden.

Normaal is het mogelijk dat familie en vrienden een bezoek kunnen brengen aan het zorgcentrum. Het voor de naaste mantelzorgers wel belangrijk en noodzakelijk dat zij juist hun eigen tijd nemen en hun eigen dingen doen. Daarvoor is het zorgcentrum er immers ook, om de mantelzorgers te ontlasten.

Huiselijkheid

Tussen de medewerkers en de cliënten door, loopt ook nog een blonde Labradoedel rond. Vol met krullen en met een hoog knuffelgehalte. Het is de hond van Anita, die gewoon meekomt als ze in Halle is. Ze laat zich de aandacht van de bezoekers met soms ook wat lekkers rustig aanleunen. Deze rustige, knuffelbare viervoeter geeft een extra gevoel van huiselijkheid aan het geheel voor veel cliënten.

De inzet van vrijwilligers staat op dit moment vanwege Corona op een lager pitje. Hopelijk komt ook dat weer snel op gang. Datzelfde geldt voor het maken van uitjes. Dit is het afgelopen jaar beduidend minder geweest.

Eigen regie van de cliënten is een belangrijk punt. Het betekent dat de medewerkers ’s ochtends zonder plan voor die dag binnenkomen. Ze laten zich leiden in hun activiteiten door wat hun cliënten die dag vragen en willen. Uiteraard is het bij de dementerende client belangrijk dat er een aanbod is waaruit deze kan kiezen.

Verdere plannen zijn er nog genoeg, weet Anita me vol enthousiasme te vertellen. Graag zou zij in de omgeving ook logeerzorg aanbieden. Hiermee zouden mantelzorgers nog meer ontlast kunnen worden. Want immers de slaap van een mantelzorger is vaak een punt, omdat deze geregeld met een verstoorde nachtrust te maken krijgt. Dit initiatief van logeerzorg is mede afhankelijk van een geschikte locatie.

Zorg voor jongdementerende mensen heeft tevens haar aandacht. Hier wordt al druk over nagedacht. Wat kun je bieden aan mensen die fysiek nog gezond zijn en vaak nog deelnemen aan het arbeidsproces? Ook deze groep is groeiende en er is nog weinig tot geen passende zorg voor.

De overall-ambitie van Anita en haar Holland Zorggroep is om de laagdrempelige zorg zoals deze er nu is, aan zoveel mogelijk mensen te kunnen aanbieden. Zeker gezien de vergrijzing en groeiende zorgkosten een mooi doel.

Na het interview gaat Anita weer aan de gang met haar verfklussen. Aan het eind van de middag vertrekt zij naar de locatie in Lunteren om daar als invaller voor een zieke medewerker een huiskamertoezichtsdienst over te nemen.

De wens is om in het voorjaar van dit jaar een feestelijke opening te houden. Maar dit zal mede afhankelijk zijn van alles wat er speelt rondom Corona. En anders wordt gekeken naar wat er wel kan.


De gewone pad

Ans Laurens en Gerrie Til

Iedereen kent hem wel, de gewone pad. Deze pad, die in bijna heel Europa voorkomt, is ondanks het algemene voorkomen geen opvallend dier. De rug is beige, grijsbruin tot roodbruin gekleurd, de buik witachtig met grijs gemarmerde tekening. Door zijn grotendeels verborgen manier van leven en goede camouflage wordt hij vaak over het hoofd gezien. Buiten de paartijd is hij voornamelijk in de schemer en ’s nachts actief en houdt zich overdag vooral schuil in zelf gegraven holletjes , onder stenen of struiken.

Het is een vrij grote, plompe pad met een opvallende wrattige huid. De mannetjes zijn tot 9 cm, vrouwtjes tot 11 cm groot. De meeste halen het niet, maar een pad kan wel 15 jaar oud worden.

Naast de wrattige huid heeft het dier achter elk oog een oorklier, die bij de gewone pad opvallend groot en lang is en een afwijkende kleur heeft. Deze klieren produceren gifstoffen die worden afgescheiden bij gevaar. Het gif is wit en heeft een erg bittere smaak en maakt dat de pad en ook de kikkervisjes van de pad niet de meest geliefde prooi zijn. Voor de hond of de kat is het geen pretje om met het gif van de pad in aanraking te komen. Het veroorzaakt bij hen een behoorlijke irritatie van de slijmvliezen.

De egel en de ringslang zijn echter immuun voor het gif van de pad en naast roofvogels en de bunzing dan ook een geduchte vijand.

Een andere vijand die de volwassen exemplaren van de gewone pad op een verschrikkelijke manier te gronde kan richten is de groene paddenvlieg. Deze vlieg parasiteert op verschillende kikkers maar heeft een voorkeur voor de gewone pad.

Paddentrek

Hebt u een niet al te aangeharkte tuin, dan is de kans groot dat er in de winter ergens in uw tuin een pad zijn winterslaap houdt.

Zodra de weersomstandigheden gunstig zijn, d.w.z. vochtig en warmer weer, gaan de padden vanuit hun winterslaapplaats naar het water waar ze geboren zijn. Van februari tot april gaan ze daar naar toe om de eitjes in lange snoeren in het water af te zetten. Om bij de poelen te komen, steken ze vaak in grote groepen de weg over.

In het gebied van o.a. de Heidenhoeksevloed vond tot ongeveer 10 jaar geleden een grote paddentrek plaats. Er was daar toen een

paddentrekwerkgroep actief. De padden, die vanuit Haankheide naar hun geboortepoelen trokken, moesten dan de Nijmansedijk oversteken om bij de poel te komen. Als koudbloedig dier zoekt de pad altijd naar een mogelijkheid om zich op te warmen en padden vinden het heerlijk om zich tijdens de trek aan het asfalt van de wegen die ze oversteken op te warmen. Het gevolg daarvan is gemakkelijk te raden: ze worden massaal doodgereden!

De paddentrekwerkgroep was toen heel actief met het plaatsen van schermen en het ingraven van emmers op de plaatsen waar de padden de weg overstaken op weg naar de poelen. De vrijwilligers van de werkgroep brachten de in de emmers gevallen padden naar de overkant om daar te worden uitgezet. Zo zijn er heel wat padden gered.

Als de eieren in de vorm van zogenaamde paddensnoeren in de poel zijn afgezet, zoekt de pad een beschutte plek om de zomer door te brengen. Een pad hapt naar alles wat voorbij komt, wat deels is te wijten aan zijn slechte ogen. Vangt hij iets wat smerig smaakt, dan wordt de prooi met de poten en de tong uit de bek gewerkt. Hij eet voornamelijk insecten, larven, spinnen, slakken en regenwormen. Een paar padden in de tuin is dus zo gek nog niet. In de schemering en de nacht gaat de pad op pad om slakken en insecten te vangen.

Padden Heidenhoeksevloed

Toen met de jaren de begroeiing van het nieuwe natuurgebied de Heidenhoeksevloed ruiger en afwisselender werd, konden de padden dichter bij de poel waar ze hun eisnoeren hadden afgezet, in de begroeiing een plek vinden om te overwinteren.

De paddentrekwerkgroep kon zichzelf opheffen en de zeilen en emmers werden doorgegeven aan andere werkgroepen in de omgeving, o.a. de Kruisberg en Gaanderen waar ze nog wel nodig zijn. Dat is mooi, maar inmiddels dient zich een andere bedreiging aan voor de pad: de droogte. Door de droogte van de afgelopen jaren staat er steeds minder water in de poelen. Als deze trend zich doorzet en de poelen steeds vroeger in het jaar te weinig of geen water meer bevatten, zal dat funest zijn voor de dikkopjes van de pad. Wanneer de poel droogvalt voordat de dikkopjes volgroeid zijn en nog geen pootjes en ademhalingsorgaan hebben, betekent dat hun einde. Een poel met voldoende water is essentieel voor de kleine padjes. Het is voor de hele natuur en met name voor de pad en alle andere amfibieën te hopen dat er de komende tijd nog lekker veel regen valt!

De pad in volksverhalen

Er doen tal van volksverhalen de ronde over de pad. Hier is er één van:

Waar de padden hun winterslaap houden, onder de grond, daar wonen ook de aardmannetjes. Door hun gewroet onder de grond weten padden alles van de aardmannetjes. Sommige van de aardmannetjes nemen wel eens de vorm van een pad aan. Dat ondervonden twee meisjes in Pommeren. Terwijl ze bezig waren aardappels te hakken, kwam er een dikke pad tevoorschijn. Een van de meisjes wilde het beest met de hak doodslaan, de ander hield haar tegen. Enige tijd later kwam er een aardvrouwtje en nodigde de meisjes uit voor een doopfeest. Ze namen de uitnodiging aan. In een onderaards vertrek was alles ingericht voor het feest. Ieder kreeg zijn plaats. Het meisje dat naar de pad had willen slaan, keek naar boven en gaf een luide gil: boven haar hing een zware molensteen aan een zijden draad. Op haar verzoek kreeg ze een andere plaats. “Zie,” zei één van de kleine mannetjes, ”zie, zo zou het nou met u gegaan zijn als u mij met de hak had geslagen”. Toen het feest ten einde was, raadde het aardmannetje hen aan het vuilnis dat in de hoek lag mee te nemen. Het zou in goud veranderen zodra ze weer boven waren. En zo gebeurde het. Padden weten door hun ondergrondse verblijf vele schatten die ze bewaren en waar ze over beschikken.

Zeilen verhinderen de pad om de weg over te steken

’The Place to be’

Toos Lenderink

Het perceel aan de Brunsveldweg nummer 9, waarop vroeger een traditionele boerderij stond, krijgt een bestemming waar nog nooit iemand van had durven dromen. Chris en Jolande van Bokhorst hebben plannen om er een retraitecentrum, een soort eigentijds klooster, van te maken. ”We willen graag een nieuwe invulling geven aan kleine rituelen rondom bijvoorbeeld Kerst, Oud en Nieuw, geboorte, trouwen, rouw of burn-out”.

In hun woonkeuken wordt ons gesprek vrolijk onderbroken door de dochters Anna-Roos en Julia. Amélie de oudste is naar school. Chris, die oorspronkelijk uit Elst komt, had de laatste jaren in Amsterdam een eigen organisatie- en adviesbureau. Hij organiseerde congressen en tentoonstellingen en deed veel in de evenementenbranche. Zijn bedrijf liep echter zo goed en gaf daarbij zo veel stress, dat hij in 2018 na een burn-out besloot om er mee te stoppen.

Jolande, die uit Ede komt, had in Amsterdam een eigen praktijk aan huis als GZ- psychologe. Ze is ook yogadocente en geeft meditatie, mindfulness en compassietraining. Samen hebben ze tien jaar rondgereisd en gekeken in India, Frankrijk en heel Nederland, met in hun achterhoofd de wens iets gezamenlijks op te zetten. Dit idee komt steeds terug en hun wensenlijstje wordt almaar concreter. Het ziet er echter lang niet naar uit dat hun droom op korte termijn gaat uitkomen. Tot ze op de site van Staatsbosbeheer dit pand te koop zien staan en gaan kijken bij het huis waar tot voor kort de familie Gerritsen woonde.

Chris is meteen enthousiast: ”Direct het wauw-gevoel, ondanks de stromende regen. Ja, dit is het! Een feestje om hier te wonen. Echt een heel mooi plekje.” Vooraf moet er een ondernemingsplan worden ingediend dat moet passen binnen de visie van SBB en dat lukt. Van Staatsbosbeheer worden de gebouwen gekocht en nog 1,4 ha grond gepacht.

Jolande is door de corona-maatregelen al gedwongen haar lopende praktijk via beeldbellen voort te zetten. Ze werkt samen met een organisatie en bouwt haar cliëntenkring uit Amsterdam geleidelijk af. Het vroegere bakhuisje is inmiddels in gebruik als ’Praktijk Slangenburg’. Cliënten vinden hier een mooi plekje bij het raam in een vriendelijke, prikkelarme en veilige omgeving.

Sinds kort zijn Chris en Jolande behalve echtgenoten ook zakenpartners en compagnons. Chris doet vooral de zakelijke kant en wil duurzaam verbouwen. Hij wil een soort retraitecentrum neerzetten dat goed in de omgeving past. Het plan is om in het voorhuis te gaan wonen en overnachtingsmogelijkheden te creëren. Ondertussen is er al geëxperimenteerd met een summer camp en hele gezinnen hebben gekampeerd en geholpen met allerlei klussen. Met gezamenlijke maaltijden en kampvuren was het een mooie zomer.

Plan aan de horizon

De ultieme droom is een soort eigentijds klooster waar mensen het hele jaar door terechtkunnen. Waar maaltijden bereid worden met groente en fruit uit eigen tuin. ”We willen mensen faciliteren om weer dicht bij zichzelf te komen”. Met hulp van andere docenten, diverse workshops en een rustige natuurbeleving. Deze activiteiten passen bij datgene wat al aanwezig is in de directe omgeving zoals bij het kasteel, de abdij en het pionierswerk van de kerk.

Niet alleen dromen maar ook doen. Met hulp van mensen uit de buurt die bijvoorbeeld het gras maaien. Of in de samenwerking met zorgboerderij Slangenburg. Medewerkers hiervan helpen met de moestuin, het erf herinrichten en snoeiwerk. In ruil daarvoor geeft Jolande hen mindfulness trainingen. Zo hebben ze al diverse contacten opgebouwd.

Al met al zijn ze nog niet toegekomen aan een kennismakende buurtborrel. Maar dit is zeker wel de bedoeling. Mocht je nieuwsgierig zijn, dan mag je best het erf opkomen en alvast een praatje komen maken.

vlnr Chris, Jolande en Anna-Roos

Muskusratten vanger

Toos Lenderink

Het is een taak van het waterschap om muskus- en beverratten te vangen. De muskusrat komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika en hoort eigenlijk niet in Nederland thuis (het is dus een exoot). Ze graaft uitgebreide gangenstelsels en veroorzaakt hierdoor schade aan dijken en waterkeringen. Nederlandse waterschappen hebben vier jaar lang grootschalig wetenschappelijk onderzoek gedaan, waarna de huidige bestrijdingsstrategie is opgesteld. Doelstelling is om over vijftien jaar geen enkele muskus- of beverrat meer te hoeven vangen. Bij de grens is deze marge wel iets groter. In Duitsland zetten ze niet zo professioneel in op deze vangst, omdat ze daar minder waterkerende dijken en oevers hebben. Bij hoog water spoelen de muskusratten zo ons land binnen.

Jari op zijn ronde

Jari Bremer, in dienst van het waterschap Rivierenland, maar ook werkzaam voor het waterschap Rijn en IJssel, vertelt over zijn beroep. Jari werkt als muskus- en beverrattenvanger in het gebied Slangenburg. In de Achterhoek werken veertien vangers, die elk verantwoordelijk zijn voor ongeveer 1000 km aan sloten en beken (watergangen). Deze watergangen worden afgespeurd met behulp van een quad, boot, kano of te voet. De bekende bruine rat wordt in principe niet gevangen, maar mocht deze toch gevangen worden, dan is dit een gewenste bijvangst. Als er bevers of otters gesignaleerd worden, dan wordt deze informatie doorgegeven aan de Zoogdier Vereniging. Het waterschap onderhoudt hiermee een goede samenwerking. Jari heeft een app op zijn telefoon met GPS-systeem waarop van elk vangmiddel wordt vermeld wat er is gevangen, of het een moer of ram is, de leeftijd en eventuele bijvangst. De kooizender die nu gebruikt wordt, stuurt een sms naar de vanger wanneer de kooi dichtvalt, waarna de vanger er binnen vierentwintig uur naar toe gaat.

Een nu in gebruik zijnde vangkooi

In voor- en najaar zetten Jari en zijn collega’s de vangmiddelen uit. In april-mei is het paartijd voor de muskusratten en zoeken ze elkaar op. Tijdens deze trek kan er succesvol gevangen worden. Vang je er twee in het voorjaar, dan voorkom je zesendertig muskusratten later in het jaar. Er wordt sowieso steeds meer preventief gewerkt. Een dood beest wordt teruggegeven aan de natuur en neergelegd in een bosje of op een plek waar weinig publiek komt. Voer voor de vos, marter of buizerd.

Een gevangen rat wordt teruggeven aan de natuur

Niet iedereen begrijpt waarom het vangen van deze ratten noodzakelijk is. Jari heeft tijdens zijn opleiding geleerd om met kritiek om te gaan. Hij is op zijn speurtocht altijd herkenbaar gekleed als muskusrattenvanger en loopt veel langs oevers of rijdt per quad langs oevers en dijken. Er wordt gelet op geuren, op vraat en op speciale keutels. De keutels van de beverrat zijn drie tot vier cm lang, boonvormig en blijven door hun olielaagje drijven op het water. Wanneer Jari een verstopte duiker ziet of een verzakking, dan wordt dit doorgegeven aan de afdeling Beheer en Onderhoud van het waterschap zodat dit hersteld kan worden.

Jari vindt het mooie van zijn werk dat hij continue ’de natuur kan lezen’ en alle seizoenen meemaakt.

Innovaties

Eén van de onderdelen van het zogenoemde LifeMICA-project dat door Brussel wordt gesubsidieerd, is een slimme vangkooi. Deze is nog in ontwikkeling en kan een muskus- of beverrat herkennen door middel van beeldherkenning, waardoor de vangst van een ander dier wordt voorkomen. Het gaat om een grote kooi die drijft op een tempexvlot op het water. Een ander onderdeel van het LifeMICA-project is E-DNA. Door een watermonster te nemen kan de vanger zien of er in het water DNA zit van een muskus-/beverrat. Hierdoor is het mogelijk om te zien of er een muskus-/beverrat aanwezig is in een gebied. Ook zijn de verschillende waterschappen bezig met andere innovaties. Er wordt gekeken wat drones en speurhonden in de toekomst voor hulp kunnen bieden om de doelstelling te halen.


Tuinman van de familie Passmann

Joop Helmink

Gert Besselink uit IJzevoorde heeft meer dan 50 jaar op Slangenburg gewerkt, eerst voor de familie Passmann in de tuinen en na de oorlog in het bosgebied. In 1967 is hij met pensioen gegaan. Mooie verhalen vertellen kleindochter Lies Ankersmit en haar tante Willy Schutter-Besselink, de dochter van Gert Besselink in het huis aan de Loordijk in IJzevoorde, waar ze beiden zijn geboren en getogen.

Bel ‘de luie bengel’.

Dochter Willy weet nog goed dat pa ‘s morgens voor dag en dauw vertrok, lopend naar het kasteel, waar hij om 7 uur door de bel “de luie bengel” aan het werk werd gezet. Die bel gaf een geluid dat klonk als “luie bengel” en gaf de werktijden aan. In grote omtrek van het kasteel was deze bel te horen. De boeren pasten er ook hun werktijden op aan. Die bel hangt nog steeds aan de muur van het eerste bijgebouw, direct links.

Willy praat met grote genegenheid over de kasteelheer en zijn familie. Ze waren heel sociaal naar hun personeel en bewoners van de omgeving. Haar vader, die als 14- jarige jongen op het kasteel kwam, heeft op een gegeven moment de volledige verantwoording gekregen over de tuinen van het kasteel. Hij moest zorgen dat het er piekfijn uitzag als de familie in de zomer en in de jachttijd het kasteel bewoonde.

Bosarbeiders in de eerste helft van de jaren ‘60:
Collectie Gijs den Hollander

Niet alleen de bloemenpracht in de perken en bakken waren een lust voor het oog in de zomer, ook de exotische planten die niet tegen de vorst konden moesten verzorgd en geplant worden. Gert heeft die exoten, zoals de oranjeboom en vijgenbomen, zelf gehaald bij naburige landgoederen en kastelen. De bloemenkamer voor overwintering is er nog steeds. De moestuin was ook een belangrijke taak voor Gert. Alle soorten groenten werden gepoot en gezaaid in de kweekbakken met glasplaten. Belangrijk was dat ze ook geoogst konden worden als de familie op het kasteel was.

Dat de familie Passmann geliefd was bij de Besselink familie blijkt uit een anekdote van Willy. Mevrouw Passmann kwam geregeld bij de familie in IJzevoorde op bezoek en vroeg dan aan de moeder van Willy “of ze uit konden met het geld dat Gert verdiende?” “Nee,” was het antwoord, waarop ze altijd iets extra’s kregen. Gert vond dat maar niets, hij was te ‘gruts” om dat te laten blijken. Zijn vrouw niet, die pakte het dankbaar aan. Ze kreeg ook geregeld lappen stof om kleren van te maken. Ze beschouwde dat als extra waardering voor wat Gert deed op het kasteel.

Van links naar rechts: zoon Gert Besselink, Gert Besselink de tuinman, zijn echtgenote, kleindochter Ada Schutter en dochter Gerda Jansen-Besselink: Collectie Gijs den Hollander

Toen het kasteel en landgoed van de familie Passmann werd onteigend na de oorlog, was de tuin rond het kasteel niet meer de grootste prioriteit voor de rentmeester. Gert ging toen vooral op het landgoed in de bossen aan het werk. Daar heeft hij ook fijne herinneringen aan, want in de bossen werkte hij met collega’s, wat veel gezelliger was. Het werk was soms ook zwaar. Als er bomen gerooid moesten worden waren er niet zulke machines bij de hand zoals tegenwoordig. Vooral “stumpen uut maken” was een tijdrovend en zwaar werk. Tegenwoordig worden de stompen van de bomen gefreesd in de grond. Toen moesten ze uit gegraven worden en werd dat hout gebruikt voor in de kachel.

Gert heeft ook zorg gehad voor de begraafplaats van de familie Passmann. Nadat de familie verdween, is het kerkhof een tijdlang verwaarloosd. Tegenwoordig wordt het kerkhof goed onderhouden. Er is een nieuwe muur geplaatst en het monumentale hekwerk is gerestaureerd. Dit komt de familie Passmann ook toe, want dit was de afspraak toen de gronden waren geschonken aan de gemeente voor de Algemene Begraafplaats aan de Kommendijk.

Eerste begraafplaats aan de Kommendijk

Willy weet nog te vertellen dat haar vader in de oorlog was opgeroepen door de Duitsers om loopgraven te graven in en rond Bingerden, vlak bij Doesburg. Hij ging ’s morgens vroeg met de fiets op pad en kwam ’s avonds terug. Dat waren spannende en moeilijke tijden.

Kleindochter Lies weet nog precies hoe opa na zijn pensionering voor zijn huis aan de Loordijk 28 zat te genieten van zijn tuin. Hij heeft jaren gewoond in het huis dat toen onbewoonbaar was verklaard maar waar hij met een speciale vergunning mocht blijven wonen.

Nu woont Lies met haar gezin weer in het totaal gerenoveerde ouderlijk huis van Opa Gert. Prachtig dat deze 18e-eeuwse arbeiderswoning bewaard is gebleven. Mooie verhalen met foto’s uit die tijd, Willy en Lies praten met genegenheid en trots over hun vader en opa.


Op de markt met Mark de Notenbrander

Toos Lenderink

Meer dan een eeuw geleden is er in Zelhem al een markt gestart op de Koestraat (nu Burgemeester Rijpstrastraat). Vanaf 1963 is er elke vrijdagmiddag weekmarkt in Zelhem. In het verleden werden uren van te voren alle kramen opgebouwd door de marktvereniging waarna de marktkooplui druk waren met het uitstallen van hun waren. Lang voordat de markt begon en lang nadat de markt gesloten was moest er nog uit- en ingepakt worden. Tegenwoordig komt bijna elke marktkoopman met een eigen wagen voorrijden, sluit de elektriciteit aan, opent zijgevels, zet wat reclameborden neer en binnen tien minuten kan de verkoop beginnen.

Mark de Notenbrander staat al vanaf 2009 op de markt in Zelhem. Hij is een gemakkelijke prater en heeft snel een klik met mensen. Hij begon met de verkoop van stroopwafels maar nam al gauw de notenkraam van zijn broer over. Hij staat naast de viskraam van Hendriksen waar Resi destijds werkte. Mark houdt niet van vis maar Resi zag Mark wel zitten en heeft hem uiteindelijk aan de haak geslagen. Inmiddels staan ze al jaren samen op markten in Dieren, Silvolde, Wehl, Westervoort, Beusichem en Zelhem. Het zijn lange werkdagen maar beide doen ze dit werk met veel passie en noemen het meer een hobby. Sinds de zomer van 2019 hebben ze een opslagruimte gehuurd aan de Steverinkstraat in Gaanderen. Een telefonische bestelling bij één van de toeleveranciers en de volgende dag wordt hier nieuwe voorraad bezorgd.

Het werk achter de kraam

Maandag en dinsdag zijn de dagen waarop de mobiele wagen wordt schoongemaakt en worden alle voorbereidingen voor de rest van de week getroffen. Deze kraam is samen met een timmerman helemaal naar eigen wens en smaak opgebouwd. De mooie achterwand ziet er uitnodigend uit en er is plek om alle producten overzichtelijk uit te stallen, pinda’s te branden, weegschalen waterpas neer te zetten, etc. In de opslagruimte net buiten Gaanderen worden bakjes met notenmixen, zuidvruchten, kokosrotsjes en vele andere lekkernijen afgewogen en gevuld. Klaar voor de verkoop. Ook de diverse muesli-mengsels worden hier wekelijks zelf gemaakt. Noten zijn een natuurproduct waardoor de kwaliteit per seizoen kan wisselen. Op mijn vraag of het niet heel erg moeilijk is om niet veel van al dit lekkers te snoepen bij het mengen en afwegen, komt een bekend antwoord: vooraf eten! Het assortiment wordt aangepast aan de vraag. Loopt iets niet dan wordt het niet meer ingekocht. De vruchtengriesmeel van vroeger is bijvoorbeeld vervangen door diverse zaden.

Elke standplaats is anders en publiek uit stad of dorp maakt een groot verschil. Mark heeft een extra frituurpan erbij aangeschaft en kan nu twee kilo pinda’s vers branden om aan de vraag te kunnen voldoen. Iedere notenbrander heeft zijn eigen manier van werken. Meer of minder donker bakken bepaalt de smaak. Mark gebruikt arachideolie van goede kwaliteit en bakt de pinda’s licht. Hier is in Zelhem veel vraag naar.

Toekomst van de markt

De huidige markten zijn overal een stuk kleiner geworden met vooral nog food-producten. Hier geldt ook dat de vraag het aanbod bepaalt. Als verkopers op de markt een boterham kunnen verdienen blijven ze komen. Veel mensen gaan voor de sfeer naar de markt. Het is een heel andere beleving dan boodschappen doen in een winkel. In de huidige coronatijd vinden mensen het ook prettig in de buitenlucht en op afstand van elkaar hun inkopen te kunnen doen. De kooplui nemen tijd voor een praatje, kennen hun klanten en zijn altijd goed gemutst. Kinderen mogen kiezen uit een klein zakje met toverrozijnen of magische steentjes. Zijn daarbij ook de terrasjes weer wat bezet dan is het gewoon erg gezellig.


Slangenburger

Joop Helmink

Volgens mij ben ik een echte Slangenburger en daar voel ik me best goed bij. Hoe is dat zo gekomen? Ik ben al jaren geabonneerd op de Slangenburg-boode en lees met plezier de artikelen die de redactie ons voorschotelt. Wij wonen in de Gaanderhei en dat voelt alsof we een beetje clandestien Slangenburger zijn. Want hoever reikt het grondgebied van Slangenburg? Her en der navraag gaf mij de overtuiging dat het grondgebied van Slangenburg wordt begrensd door de Akkermansbeek in de Gaanderhei naar de Kerkstraat in Gaanderen richting Rekhemseweg tot de Zumpe, de Zelhemseweg tot Zelhem via de Nijmansdijk richting Westendorp tot de Keppelbroeksdijk naar de Akkermansbeek.

Dat legitimeert mij om me Slangenburger te voelen omdat wij woonachtig zijn aan de Hertelerweg tegen de Akkermansbeek. Dat wil overigens niet zeggen dat grenslanders van dit gebied geen aanspraak kunnen maken op deze titel.

Ik heb ook wel wat met de Slangenburg; als jongeman uit Doetinchem liep ik al in de Slangenburg mijn joggingsrondje op de trimbaan die daar toen was en genoot van de prachtige natuur. De Zumpe was voor mij en mijn vader een prachtig wandelgebied, waar we Anna Hoegen op de fiets met de melkbussen tegenkwamen als ze naar haar koeien ging om ze te melken. De wintervoorraad aardappelen voor ons gezin die in de herfst werd aangekocht kwam van boer Heuthorst van de Varseveldseweg. Als basisschoolleerling was ik bevriend met Tonnie Heurnink van de Turfweg waar ik mijn eerste clandestiene rondje op een Berini-bromfiets samen met Tonnie maakte en scheurde over de zandwegen in IJzevoorde. Mijn vrouw Leny een echte Gaanderse heibewoonster heeft haar roots dus ook in de Slangenburg. De schaatsrondjes op de gracht tijdens de koude winters worden graag uit haar herinnering opgediept. Later toen onze dochters Karien en Lisette een baantje zochten om wat zakgeld bij te verdienen hebben ze jarenlang als kamermeisje en hulp in de huishouding op het kasteel Slangenburg dienst gedaan. Zij vertelden over het kasteelleven met de gasten; de sfeer was bijna zoals het er vroeger aan toe moet zijn gegaan op een kasteel, zo kwam het bij mij over. Ze vertelden over het interieur van het kasteel en ik was jaloers omdat ik dat ook wel zou willen beleven. Tot op heden is het er niet van gekomen om eens met een excursie mee te gaan, maar dat gaat zeker een keer gebeuren.

Het mystieke klooster van de paters heeft mij ook altijd geïntrigeerd. Als katholiek opgevoede jongen met ervaring als misdienaar heb ik af en toe een dienst bijgewoond in de kapel. De plechtige sfeer, de wierook en de mooie Gregoriaanse gezangen hebben veel indruk gemaakt.

Onze dochter Karien met haar man Edwin en hun twee kinderen zijn ook trotse Slangenburgers. Ze wonen op de voormalige boerderij van de familie Witten bij ons op het erf aan de Hertelerweg. We zijn trots dat de vierde generatie van dezelfde familie op deze plek is komen wonen. Nu onze zoon Robert Jan, zijn vrouw Jet en hun drie dochters op de boerderij de Voorst aan de Turfweg zijn gaan wonen en daardoor ook Slangenburgers zijn geworden, is de cirkel rond en is de band met Slangenburg definitief bevestigd. Alleen onze dochter Lisette met haar gezin woont op de Heerlijkheid Etten (en dat is bijna net zo mooi als de Slangenburg).

Ik hoop u in de toekomst meer te kunnen vertellen over hoe de Slangenburg en omgeving een rol in ons leven speelt.

“Good goan”


Boom met boodschap

Jan Berends

Wanneer men de Holdrostweg inrijdt, vindt men links een pad, dat naar de parkeerplaats voert. Bij het begin van het pad aan de rechterzijde is een inscriptie in een beuk aangebracht. Er werd mij altijd gezegd, dat deze herinnerde aan één van de vele onderduikers, die in de Tweede Wereldoorlog hun schuilplaats vonden op Slangenburg.

Nieuwsgierig geworden werd een onderzoek gestart naar het hoe en wat van deze boodschap. Er staat duidelijk te lezen:

A de Vries uut Aerdt
EKW B131
1 / 4 1945
den dag van den bevrijding
kippenhok
bij J Til
Slangenburg

Eerst voerde het onderzoek naar boerderij het Park, waar de familie Til lange tijd woonde en daarna naar Drempt, waar nog een nazaat het verhaal kan vertellen. Het betreft hier een geëvacueerd gezin De Vries uit Aerdt, dat in februari 1945 bij de familie Til op het Park terecht kwam. De verdere naspeuringen voerden naar Aerdt op bezoek bij de familie De Vries.

Hoe zat het nu precies in elkaar? Vader Bernard en zoon Jan Til waren begin 1945 met paard en wagen gevorderd door de Orgination Todt om werkzaamheden voor de Duitsers te verrichten op het Gelders Eiland. Bij het passeren van de kwekerij De Vries in Aerdt was er een Engelse luchtaanval en konden vader en zoon op de kwekerij in de kelder bescherming vinden. Bij het afscheid de volgende morgen beloofde Bernard Til, dat wanneer het nodig was de familie De Vries bij hen op Slangenburg welkom was.

In februari 1945 was het zover. Het Gelders Eiland moest ontruimd worden en zo trok de familie De Vries met een aftands paard voor de wagen richting Achterhoek. In moeilijke omstandigheden kwam men terecht in Stokkum en dan herinnert men zich de toezegging van Til. Vader De Vries trekt naar Slangenburg om de mogelijkheden te onderzoeken en het gezin kan terecht in een goed schoongemaakt kippenhok, rechts van de Holdrostweg.

Familie De Vries voor het kippenhok. V.l.n.r. staand: Evert, moeder Maria de Vries-Hasse, vader Anthonius de Vries en Wim, zittend: Nico, Johannes en Anthonius. De dochter ontbreekt (coll. Henny Til)

Het verblijf is, gezien de omstandigheden, prima. Het ontbreekt hen aan niets en men heeft een goed verblijf op Slangenburg. Dan is de bevrijding daar en wordt de betekenis van de inscriptie duidelijk: Het betreft het gezin van A. de Vries uit Aerdt, EKW betekent geëvacueerd en B 131 is het huisnummer in Aerdt. Op 1 april is de bevrijding van Doetinchem e.o. die de familie in het kippenhok bij Til beleefde.

In het proces voor de Raad voor het Rechtsherstel, waar de familie Passmann getracht heeft het in beslag genomen landgoed terug te krijgen, is ook aangevoerd, dat Hermann Passmann veel gedaan zou hebben in het belang van de vele onderduikers. Dit feit werd niet bewezen verklaard. Weliswaar had rentmeester G. Beltman wel eens met zijn landheer daarover gesproken, maar de schaarse bezoeken van Hermann Passmann haalden eventueel bewijs onderuit. De regeling van het helpen van onderduikers en het verstrekken van brandhout e.d. op Slangenburg moet geheel op het conto van rentmeester Beltman of de betreffende pachters worden geschreven. worden geschreven.

(Verkorte versie van ‘Levend monument op Slangenburg bij boerderij ’t Park’ uit Kronyck van Deutekom nummer 110, blz. 26).


Pleegzusje Anneke

Toos Lenderink

Op een miezerige middag begin januari komt Mineke Können-Woolschot uit Zaltbommel haar persoonlijke verhaal vertellen. Ze is geboren en opgegroeid in de Slangenburg, Halseweg nr 1, voorheen S 46 E.

foto

Begin zomer 1943 werd aan haar ouders, Marinus en Hanna Woolschot gevraagd om een Joods meisje in hun gezin op te nemen, zoals destijds wel meer gebeurde hier in de regio. Anneke woonde sinds korte tijd bij ds. Troelstra in Halle, maar deze werd beroepen in Wageningen. Hij vond het daar te gevaarlijk voor haar en zo kwam Anneke bij de familie Woolschot in huis. Moeder Hanna bereidde Mineke voor door haar te vertellen dat ze een pleegzusje kreeg. Mineke verstond plee-zusje en kende dit woord alleen als de destijds gebruikelijke wc. Ze begreep er dan ook niet veel van. Ze was altijd de oudste dochter in huis geweest met nog twee jongere broertjes en vond het wel leuk om een zusje te krijgen. Anneke was een jaar ouder dan Mineke en vader nam Anneke op schoot en zei tegen het nieuwe zusje: “En no’w bun i‘j de oldste”. Ze kreeg meteen een vaste plek in het gezin. Gelukkig klikte het vanaf het begin goed tussen Mineke, Anneke en de andere gezinsleden. Anneke had het wel over haar twee broertjes maar niet over haar ouders. Ze vertelde dat iemand haar had begeleid tijdens de reis per bus. Mineke kende alleen de cacao- en beschuitbus en was dan ook heel verbaasd te horen dat die bus zo groot was, met wielen eronder en dat daar dan mensen in zaten!

Leerplicht

Op 1 april 1944 was Anneke zes jaar en zou ze eigenlijk naar school moeten. Maar in de Nijmanschool zaten Duitsers en vader vond het risico veel te groot. Een jaar later, op 1 april 1945 was de oorlog in Slangenburg voorbij en begonnen Mineke (6 jaar) en Anneke (7 jaar) gezamenlijk als een tweeling op de lagere school. Ze gingen identiek gekleed en zaten altijd naast elkaar. Op een gegeven moment wilden ze allebei ook wel naast een vriendinnetje zitten maar moeder Hanna zei:” I’j wet wa’j an mekare hebt, blief maor naost mekare zitten”.

Herman, Wim, Mineke Woolschot en Anneke

Tijdens de oorlog werd de familie soms door een oom (die bij het verzet zat) gewaarschuwd: “Er komt een razzia aan”, waarna Anneke door vader werd weggebracht om tijdelijk elders onder te duiken. Aan het eind van de oorlog waren er Duitsers ingekwartierd op de boerderij. In de opkamer stond zendapparatuur. Dit was voor de kinderen spannend maar ook wel leuk. De soldaten maakten grapjes met de kinderen. Maar ze waarschuwden vader ook: “Pas op voor die éne man, die schiet je zo maar overhoop”. Op advies van deze Duitsers brachten ze de nacht met het gezin door in de kelder. De volgende ochtend waren de Duitsers verdwenen. Tijdens de bevrijding mochten Anneke en Mineke naar de verharde weg. Daar hielden de bevrijders halt en trakteerden op chocolade. Andere buren, o.a. Jo en Gerrie Wolsink waren hier ook. Iets lekkers werd thuis altijd gedeeld maar de bevrijders zeiden dat ze ook chocolade meekregen voor thuis en dat ze dit hier echt mochten opeten.

Hereniging met overgebleven familieleden

De ouders, pleegzusje Anneke en de broertjes van Mineke

Na de oorlog bleek dat van de familie van Anneke van vaders kant alleen opoe en tante Lien de oorlog hadden overleefd. En van moeders kant de zussen Gretha (met gezin) en Els. Tante Els vindt Anneke terug en wordt haar voogd. Mieneke’ s vader wordt toeziend voogd. Vanaf dat moment hebben Mineke en Anneke twee paar ouders. Anneke heeft de lagere school afgemaakt in de Nijman. Maar daarna vond haar familie dat Amsterdam beter was voor haar verdere scholing. Mineke had mede door haar contacten in Amsterdam een sterke drang zich verder te ontwikkelen. Woonde zelfs een tijd in Amsterdam bij tante Els en oom Dick in, die haar graag wilden bemoederen. Ze ging naar Amerika. Mineke besefte als jong meisje al dat vrede en vertrouwen niet vanzelfsprekend zijn. Anneke is op 23-jarige leeftijd getrouwd en heeft met twee dochters, een zoon en kleinkinderen een rijk gezinsleven. Tussen de gezinnen van Anneke, Mineke en tante Els ontstond een heel speciale band.

De Duitsers lieten in de jaren 40-45 hun oog vooral vallen op monumentale panden om te vorderen. Zo ook het huis aan de Varsseveldeweg 234, waar tot voor kort Riek Klumper-Luesink woonde. Hier waren SS-ers ingekwartierd die halsoverkop naar Doesburg vertrokken om in Arnhem parachutisten te bestrijden. Op de buitenmuur van het huis zijn de ingekerfde SS-kenmerken nog te zien.


Slangenburg hoofdkwartier bij ‘Een brug te ver’

Jan Berends

Na zware gevechten in Normandië hadden gehavende Duitse pantsertroepen van het tweede SS Panzerkorps in augustus 1944 zich teruggetrokken en op de Veluwe en op Slangenburg een plaats gevonden om zich te hergroeperen. Dit alles onder de grootste geheimhouding.

Van deze tiende Panzer Division Frunsberg (op Slangenburg) en de negende Hohenstauffen Division (op de Veluwe) onder generaal majoor W. Bittrich was het hoofdkwartier op kasteel Slangenburg gevestigd.

Hoewel de Duitsers rekening hielden met mogelijke luchtlandingen bij Arnhem verwachtten ze niet, dat deze voor het einde van de maand september zouden plaatsvinden. De landingen van zondag 17 september waren dan ook een grote verrassing. Ook veldmaarschalk Walther Model werd in zijn hoofdkwartier Hartenstein in Oosterbeek verrast door de neerdalende Airbornes en spoedde zich naar de Achterhoek. Vanuit Slangenburg zouden de tegenaanvallen bij Arnhem en Oosterbeek worden geleid.

De Oberkommandatur werd, beschermd door een onderdeel, ondergebracht in de bijgebouwen van het kasteel en er was een deel van de soldaten gelegerd in de Stadsheideschool tegenover het hervormde kerkje. In de lanen werden ruimtes gegraven om tanks en geschut te verbergen voor waarnemers vanuit de lucht. Onder camouflagenetten stonden luchtdoelkanonnen op het voorplein van het kasteel en op weilanden rondom. Het veiligheidscordon lag ruim vijfhonderd meter rond het kasteel en werd streng bewaakt.

Door de ondergrondse waren al deze maatregelen ook opgemerkt en onder levensgevaarlijke omstandigheden werden alle mogelijke inlichtingen verzameld, waaruit geconcludeerd kon worden, dat op het kasteel zich een hoofdkwartier bevond. Toch werden deze inlichtingen door de geallieerden niet geloofd. In hun optiek bestonden deze pantserdivisies niet meer. Hoewel de pantserdivisies gehavend waren, vormden ze tegenover de geallieerde troepen een geduchte tegenstander, waardoor de veel lichter bewapende soldaten zich moesten terugtrekken en het belangrijkste doel van de operatie Market Garden, het veroveren van de kanaal- en rivierbruggen over Maas, Waal en Rijn jammerlijk mislukte en het einde van de oorlog nog maanden op zich liet wachten.

Was de Slag om Arnhem een succes voor de geallieerden geworden, het had ongelofelijke ellende bespaard: de vele doden bij de nog geleverde gevechten, die nog volgden, het westen van het land had de vreselijke hongerwinter niet gekend en de steeds toenemende terreur tegen de bevolking en de laatste transporten van de joden naar de vernietigingskampen hadden niet meer plaatsgevonden.

Het kasteel stond en staat nog fier in de Slangenburgse bossen. Als de geallieerden geloof hadden gehecht aan de zo moeilijk verkregen inlichtingen van het verzet, was met grote zekerheid kasteel en omgeving prooi geworden van een Engels bombardement op dit Duitse hoofdkwartier en net als bijvoorbeeld de Doornenburg grondig verwoest.

Zo ziet men, in de geschiedenis kan alles vreemd verlopen, het hangt af van kleinigheden.

Verkorte versie van ‘Gerard W. Velhorst, Oberkommando Slangenburg werd para’s bij Arnhem fataal’ uit Kronyck van Deutekom,nummer 101, blz. 10. De uitgebreide versie is verschenen in de Slangenburgh-boode van maart 2014