In de lente-editie was de tuin van Frans Derksen al te zien. Dit is het zomerse vervolg over weerbaarheid, biodiversiteit en de kracht van delen.
Naast het plezier van tuinieren krijgt Frans ook te maken met steeds grotere uitdagingen. Vooral plagen en het veranderende klimaat vragen om aanpassingsvermogen.
Plagen: engerlingen steeds groter probleem
Frans heeft naast het weer ook te maken met plagen. Vooral engerlingen, de larven van de meikever, zijn een hardnekkig probleem.
Volgens Frans wordt dit de laatste jaren steeds erger.
Droogte en natte perioden: meebewegen met het klimaat
Het veranderende klimaat speelt een steeds grotere rol. Periodes van extreme droogte worden afgewisseld met zeer natte perioden. Dat vraagt om aanpassingsvermogen.
Frans speelt daarop in door rassen en planten te zoeken of zelf te kweken die beter tegen deze schommelingen kunnen. Sterke planten, met een diep wortelstelsel en een grotere weerbaarheid, krijgen daarbij de voorkeur. Beregening is soms nodig, maar altijd met beleid.
De pompinstallatie op de tuin helpt daarbij, maar Frans benadrukt dat slim kiezen van rassen minstens zo belangrijk is. De toekomst van gezond tuinieren ligt volgens hem in planten die beter bestand zijn tegen zowel droogte als teveel water.
Eigen zaden, eigen kwaliteit
Frans werkt zoveel mogelijk met zelf gekweekte zaden. Daarbij maakt hij gebruik van zaadvaste rassen. Door jaar op jaar eigen zaden te winnen, ontstaan planten die steeds beter zijn aangepast aan zijn eigen grond en omstandigheden.
Deze werkwijze draagt bij aan sterke planten en een stabielere oogst. Bovendien vergroot het de zelfstandigheid van de tuinder. Het hele proces van zaad tot oogst blijft in eigen hand.
Bloemen voor bijen, hommels en vlinders
Naast groenten spelen bloemen een belangrijke rol in de tuin van Frans. De bloemen die hij teelt, zijn vooral bedoeld om bijen, hommels en vlinders aan te trekken.
Deze bestuivers zijn onmisbaar voor een goede vruchtzetting en daarmee ook voor de voedselproductie. Door bewust te kiezen voor insectvriendelijke bloemen draagt Frans bij aan de biodiversiteit in het buitengebied van de Gaanderse Hei.
Delen en ontmoeten langs het tuinpad
De tuin van Frans ligt tussen Voorbroek en de Akkermansbeek langs een route waar veel wandelaars en fietsers voorbij komen. Regelmatig ontstaan er gesprekken langs het tuinpad. Bij een goede oogst deelt Frans zijn groenten en bloemen graag uit.
Zomer: weerbaar en toekomstgericht
Voor Frans draait de zomer om sterke planten, aanpassen aan het weer en blijven leren. Door te kiezen voor robuuste rassen, eigen zaden, biodiversiteit en aandacht voor bodem en water, bouw je aan een toekomstbestendige tuin.
Wat begon als “dan ga ik maar een keer mee met mijn buurman”, is uiteindelijk een prachtige hobby geworden. Dankzij de goede begeleiding van duikvereniging Silent World uit Aalten is Geert Kroes enthousiast geworden voor duiken. Meters onder water ervaart hij een stilte en een rust, een zen-gevoel en lijkt het alsof je zweeft. Gecombineerd met de prachtige dingen die er te zien zijn, zoals vissen en eitjes van slakken, is hij al weer drie jaar actief met deze hobby bezig.
Van twijfel tot liefhebberij
Door zijn buurman is Geert overgehaald om eens mee te doen met een introductieduik in het zwembad van Aalten. Eigenlijk vond Geert het duiken maar ‘gedoe’. Maar door de goede en rustige begeleiding van de duikinstructeur van de Aaltense duikvereniging Silent World werd dit een ervaring die naar meer smaakte.
Inmiddels met de derde cursus bezig en vele duiken later, is hij alleen maar enthousiaster geworden. Van een start met ondiep duiken in het zwembad tot wat later een meters diepe duik in het Varsselder grindgat. De dieptes van het kleurrijke Grevelingenmeer in Zeeland worden inmiddels ook regelmatig verkend.
Eerst leren ademhalen en bewegen onder water
Nadat de eerste horde genomen was het ademen onder water, wat zeker de eerste keren erg tegennatuurlijk voelde, wordt er steeds verder geoefend met het regelen van de ademhaling.
Ook het bewegen onder water is een belangrijk element van duiken en daarom wordt daar veel aandacht aan besteed tijdens de cursussen. De mate van bewegen en de manier van ademen bepalen namelijk hoe lang je onder water kunt blijven. Veel bewegen vraagt veel zuurstof waardoor je sneller door je zuurstof heen bent. En met de combinatie van ademhalen en bewegen, kun je regelen of je onder water op je plaats in het water blijft of stijgt of daalt. Dat is dan weer iets voor de gevorderde duiker.
Nadat je als beginnend duiker in eerste instantie alleen op ademhalen en bewegen let, leer je na een tijdje ook om je heen te kijken en al het moois onder water te zien. Daar doe je het ten slotte voor. Door de prettige en deskundige begeleiding bij Silent World heeft Geert zich dit in zijn eigen tempo goed eigen kunnen maken.
Veiligheid en rust
Om veilig te duiken zijn er een aantal regels en afspraken waar elke duiker zich aan houdt. Zo duik je altijd met iemand anders, een buddy, en let je goed op elkaar tijdens de duik. Mocht je je buddy ‘kwijt raken’ dan is de afspraak dat je met je zaklantaarn als zichtbaar signaal om je heen schijnt en na één minuut teruggaat naar het wateroppervlak. Je buddy doet dat ook en dus kom je elkaar daar weer tegen. Is dat niet zo, dan markeer je de plek op je gps en ga je naar de kant en sla je alarm.
Duikdroom
Hoewel er in Nederland genoeg moois te zien is onder water, heeft Geert nog wel een droom: duiken in een exotisch oord om daar de sprookjesachtig mooie wereld onder water te zien. Binnenkort is dit geen droom meer maar werkelijkheid. Met een duikgroep gaat hij de kleurrijke en wonderlijke onderwaterwereld van Bali verkennen.
Ervaringen
In het Grevelingenmeer dook Geert eens naar de voet van de dijk. Hij ontdekte daar grote ruimtes tussen de basaltblokken en kwam langzaam dichterbij met zijn zaklantaarn in de aanslag. Vlak voor de opening probeerde hij met zijn zaklantaarn diep in het hol te schijnen in de hoop iets te zien. Ineens kwam daar een enorme kreeft tevoorschijn met scharen van wel twintig cm lang, al knippend duidelijk makend dat hij hier de baas was. Geert zijn hart stond even stil en heel langzaam maar wel zo vlug mogelijk zwom hij achteruit. Onnodig te zeggen dat van een rustige, gecontroleerde ademhaling even geen sprake meer was.
Ook de schrijver van dit artikel heeft zich over laten halen tot een introductieduik. Je moet tenslotte weten waarover je schrijft.
Nou, het was een hele belevenis! Het voelt de eerste keren echt oncomfortabel om onder water gewoon door te ademen. Maar door de rustige en deskundige begeleiding van Buddy David ging dat al snel naar wens. Daardoor kwam het zelfvertrouwen om langer onder water te blijven en zelfs te drijven en een stukje te zwemmen en om me heen te kijken. Al met al een prachtige belevenis die ik niet had willen missen en die zelfs naar meer smaakt!
Nieuwsgierig geworden en misschien zelf een introductieduik doen? Kijk op de website van de duikvereniging https://www.silentworld.nl/
Aan de Nijmansedijk 26 te Halle, is sinds augustus 2000 Installatiebedrijf Zweers gevestigd. Deze plek heeft echter al een veel langere geschiedenis met bedrijvigheid. De woonkamer, waarin ik spreek met Rinus en zijn vrouw Jacqueline, was vroeger de kruidenierswinkel van de familie Bruil, die daarnaast ook een bakkerij en meelhandel runde. Het verhaal gaat dat bakker Wiltink uit Doetinchem hier ooit als knecht zijn bakkersloopbaan is begonnen.
School en eerste baan
Maar laten we beginnen bij Rinus. Na de lagere school ging Rinus, die oorspronkelijk uit de Veldhoek komt, naar de technische school in Doetinchem. Daar haalde hij in 1968 zijn diploma Elektra. In de jaren daarna zocht hij verdieping door avondscholing op de streekschool.
Ongeveer vijfentwintig jaar heeft Rinus gewerkt bij Sigtenhorst Wassink, een installateur die destijds gevestigd was in Doetinchem in de Boliestraat en de Gasthuisstraat.
Het werk was zeer divers: nieuwbouwprojecten en onderhoud bij woningbouwvereniging De Goede Woning, werk bij grote bedrijven zoals Vredestein, Beccon en de steenfabrieken van Den Daas. Begin jaren ’80, toen de ligboxenstallen bij veeboeren in zwang kwamen, bracht dat ook het nodige werk met zich mee. Later kwamen daar de varkensstallen en nog later ook geitenstallen bij. Zo deed Rinus veel ervaring op in allerlei takken van de ’installatiesport’.
Op mijn vraag of hij zich uit die tijd nog een bijzonder voorval weet te herinneren antwoordt hij na even nadenken: “Wij waren gevraagd in de Hamburgerstraat kerstverlichting op te hangen. De Hamburgerstraat was toen nog toegankelijk voor verkeer. We hadden net de verlichting hangen, toen er een vrachtwagen door de straat reed en die trok de hele slinger mee. Konden we weer opnieuw beginnen.”
In 1989 begon Rinus voor zichzelf. Veel vroegere klanten waren zo tevreden over zijn werk dat ze met hem mee gingen. En toen een paar jaar later Bennie Bannink in IJzevoorde met zijn bedrijf stopte, nam Rinus dat bedrijf erbij over en kreeg er veel Slangenburgse klanten bij.
Maar ook buiten de Slangenburg wist men hem te vinden. Hij ging voortvarend aan de slag met nieuwe ontwikkelingen zoals biomassa-installaties bij varkensbedrijven en palletketels in woningen. In de gemeente Oude IJsselstreek was hij betrokken bij de 150 kW biomassaketel met eigen snippers. Een groot project, een klus van ongeveer 2 jaar (2010-2011), was de nieuwbouw van Administratiekantoor Nijman aan de Terborgseweg in Doetinchem. Rinus mocht daar alle installatiewerk doen en had toen 8 man in dienst. Verzekeringen pasten hun veiligheidsvoorschriften aan en dat leverde weer extra werk op bij de vervanging van meterkasten. “En dan kom je nog wel eens leuke dingen van vroeger tegen”, vertelt Rinus. “Bijvoorbeeld een handgeschreven briefje in de meterkast met de tekst: Geïnstalleerd door Firma Peppelman en Zn.”
Het kasteel als klant
“Ook in het kasteel kwamen we regelmatig voor allerlei klussen en klusjes”, zegt Rinus. “We werden een keer in de winterdag opgeroepen om in één van de bijgebouwen naar een gasboiler op zolder te kijken. Alles bleek bevroren en een collega wilde met een gasbrander aan de slag om de boel te ontdooien. De schrik sloeg me om het hart vanwege de aanwezige strodokken in de nok en ik heb snel een veiliger ontdooi-apparaat gehaald.”
Samen sterk
Jacqueline, geboren en getogen in de Slangenburg, levert vanaf het begin een waardevolle bijdrage aan het bedrijf. Zij regelt de afspraken, ontvangt vertegenwoordigers, helpt klanten die materiaal komen halen, zorgt dat de koffie klaar staat, brengt wanneer nodig materiaal na tijdens een klus en zorgt, vaak ’s avonds, dat de boekhouding is bijgewerkt en de facturen de deur uit gaan.
Huisvesting
Toen Rinus in 1989 voor zichzelf begon, was dat aan de Halle-Nijmanweg, tegenover de Nijmanse school, de plek waar hij in 1975 al was neergestreken. Samen met Jacqueline bouwde hij daar eigenhandig een eerste schuur. Al snel was er te weinig magazijnruimte en werd een bedrijfshal bijgebouwd en nog later werd een stukje van de oude school erbij gehuurd. Ook dat werd te klein en in 2000 vond de verhuizing plaats naar de huidige locatie aan de Nijmansedijk. Op dat terrein stonden silo’s van de voormalige maalderij van Bruil/Te Bokkel en na een vergunningentraject van 5 jaar, werden in 2006 die oude silo’s afgebroken en mochten er op die plek 2 woningen gebouwd worden.
Opvolging
In 2001 kwam de toen 15-jarige Eric Hukker, als zaterdaghulpje werken bij Rinus. Dat beviel wederzijds zo goed dat hij bleef en er werd zelfs over gesproken dat Eric later het bedrijf zou kunnen overnemen. Helaas kwam er een kink in de kabel toen Eric wegens omstandigheden het installatiewerk niet langer kon doen en onverhoopt moest uitkijken naar wat anders.
Ondanks dat Rinus geen opvolger heeft en al een aantal jaren kan genieten van zijn AOW denkt hij nog niet over stoppen. Hij heeft nog zichtbaar plezier in zijn werk. En mocht een klus wat zwaarder werk opleveren, dan maakt hij dankbaar gebruik van een paar extra handjes van zijn buren.
Molenaars in Halle-Nijman
Vroeger had elke buurtschap wel zijn eigen molen. In ieder geval vanaf begin 20ste eeuw tot in de jaren ’70 was de familie Bruil molenaar op de plek waar nu het bedrijf van Zweers is gevestigd. In 1972 wordt het molenaarsbedrijf overgenomen door Te Bokkel.
Te Bokkel fuseert vervolgens met het molenaarsbedrijf van de familie Doorspiek, 500 meter verderop gelegen. Zij blijven wel op twee locaties produceren, bij Doorspiek de meelproducten en bij Te Bokkel de persproducten.
In 1975 doet Doorspiek (wegens gebrek aan opvolging) alle aandelen over aan Te Bokkel, die vervolgens in 1985 besluit het bedrijf te vergroten en te moderniseren.
Er komt een nieuwe silo, een loods voor zakgoed en kunstmest en een aan de maalderij grenzend kantoor. De nieuwe naam wordt DOBO Mengvoeders.
Na het overlijden van Te Bokkel in 1997 worden de panden verkocht aan mengvoederbedrijf Provimi, die ze in 2000 weer doorverkoopt aan Installatiebedrijf Zweers.
Ook in de Slangenburg heerst het recht van de sterkste. Vroeger was dit de familie van Baer. Zij bezaten het jachtrecht en zaten aan de top van de voedselketen. Jagen is tegenwoordig beperkt tot het beheren van de reeën stand door de WBE (wildbeheereenheid) maar verder regelt de natuur dit zelf. We praten dan over een voedselketen. In je tuin herken je dit ook. De zangvogeltjes eten insecten en zaden maar worden op hun beurt weer gegeten door vleeseters zoals de sperwer. Welke voedselketens komen we tegen in en om de Slangenburg? De dieren in de top van de voedselketen zijn het meest kwetsbaar, uitgezonderd de mens.
Laten we beginnen met het zonlicht waardoor groene planten gaan groeien; bomen, gras en andere planten. Deze planten worden gegeten door rupsen en andere planteneters. Rupsen en maden veranderen in vliegen en vlinders. Rupsen en vliegen worden op hun beurt weer gegeten door spinnen, duizendpoten en andere kriebelbeestjes. Vervolgens eten vogels en insecteneters zoals egels en spitsmuizen zowel de rupsen als die andere kriebelbeestjes. De meeste vogels zoeken eiwitten in de vorm van rupsen en insecten voor hun jongen. Een gedeelte van deze vogels eet zelf ook zaden. De vogels die alleen insecten eten, vertrekken ’s winters aangezien hier dan geen insecten zijn. De zaadeters blijven overwinteren. Om de kringloop compleet te maken zijn er roofvogels zoals uilen en roofdieren die vogels eten maar ook andere planteneters zoals muizen en hazen. Elke soort heeft zich gespecialiseerd in bepaald voedsel. Is dat voedsel er niet, dan sterft deze soort uit of gaat elders op zoek naar dit voedsel. Sommige roofvogels vertrekken daarom ook ‘s winters. Denk maar aan de boomvalk en de wespendief.
Een vergelijkbare kringloop kun je ook in het water tegenkomen. Daar begint het met algen die door watervlooien gegeten worden die vervolgen weer verorberd worden door kleine visjes die daarna weer door grotere vissen gegeten worden. De vissen zijn vervolgens weer een prooi voor reigers, aalscholvers, maar tegenwoordig ook voor de otter in de Bielheimerbeek en misschien een passerende zeearend.
De natuur is flexibel als deze niet verstoord is. Zijn er teveel rupsen dan leggen de koolmeesjes meer eitjes en brengen meer jongen groot die op hun beurt ook weer rupsen eten. Zijn er veel muizen dan groeit het aantal kerkuilen. Maar andersom kunnen dieraantallen ook sterk afnemen zoals het ijsvogeltje. Deze winter zullen er veel overleden zijn door ijs op sloten en beken. Ze kunnen niet lang zonder visjes. Maar gelukkig herstellen ze zich meestal snel.
Bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is het belangrijk dat ze alleen de plaagsoort bestrijden en niet alle andere beestjes. Ook kunnen we natuurlijke of biologische middelen gebruiken. Het verleden heeft ons geleerd dat soorten door vervuiling, inkrimpen van leefomgeving, maar ook door de aanplant van exoten, verdwijnen. Denk aan de ooievaar die rond 1970 bijna verdwenen was door te agressieve bestrijdingsmiddelen en verlaging van het grondwaterpeil. De ooievaar is echter na verbetering van de leefomgeving met succes geherintroduceerd. Soorten die wel krimpen zijn weidevogels, maar ook roofdieren, zoals de bunzing, hermelijn en wezel. Voor hen was te weinig voedsel beschikbaar in en om de Slangenburg. Voedsel kan ook afnemen door de aanplant van exoten die slecht gegeten worden door lokale dieren. Dit kunnen bomen zijn zoals de Douglas en de Hemlockspar die de familie Passmann in de Slangenburg aanplantte. Door extensivering van de akkers en de aanplant van gesubsidieerde akkerranden met wildmengsels in en rondom de Slangenburg wordt tegenwoordig de omgeving voor b.v. de patrijs maar ook voor kleine zoogdieren weer verbeterd. En daar profiteren de dieren bovenin de voedselketen ook weer van.
Voeding is de laatste jaren sterk veranderd. Van seizoensgebonden, lokale producten en basisvoedsel zoals graanpap, naar een wereldwijd aanbod en onbeperkte keuze. Ook bevat het hedendaagse voedsel veel meer bewerkte koolhydraten en suikers, wat heeft bijgedragen aan diverse gezondheidsproblemen. Op dit moment verschuift de focus langzaam weer richting onbewerkte voeding, eiwitten en gezonde vetten in plaats van granen en industrieel bewerkt eten. Ook lokaal verbouwde producten zijn in opkomst. Er ontstaat een groeiend bewustzijn over de invloed van voeding op ons welzijn.
Eetgewoonten door de jaren heen
Het idee om eetgewoonten aan te passen om slanker of gezonder te worden, blijkt al sinds 1724 te bestaan. Toen werd al geschreven over het idee om bepaalde voedingsmiddelen uit het dieet weg te laten, al werd dit pas echt populair aan het begin van de twintigste eeuw. Nu is dit thema nog steeds actueel.
Voeding vroeger
In de negentiende en begin van de twintigste eeuw was men volledig afhankelijk van wat het land op dat moment bood, zoals aardappelen en seizoen groenten. De moestuin en de kippen, varkens en koeien op het erf, voorzagen in het dagelijkse eten. Typerend voor die tijd was dat alles van een dier of product volledig werd gebruikt. Niets werd verspild. Een voorbeeld hiervan is balkenbrij. Maar ook het recept in bijgaand kader gaat daar over: Kaapse wolken: Vanillevla werd gemaakt met onder andere eidooiers. Het overgebleven eiwit werd gebruikt om Kaapse wolken van te maken, die als decoratie dienden voor op de vla. Kant en klare vanillevla of custard bestond toen nog niet, vla werd zelf gemaakt met maïzena, eigeel en (vanille)suiker.
Voeding nu
Door de opkomst van industriële voeding en de stijgende welvaart werd fabrieksmatig geproduceerde voeding voor iedereen toegankelijk. Hieraan werden tal van ingrediënten toegevoegd om ze langer houdbaar en smaakvol te maken, zodat ze vaker werden gekocht. Wat er precies in zat en of het gezond was, was minder relevant.
Doordat voeding meer suikers en koolhydraten ging bevatten en de mens minder ging bewegen, ontstonden er allerlei welvaartsziekten.
Toekomst
Op dit moment is er een voorzichtige kentering te zien. Meer mensen kiezen bewust voor onbewerkte, plantaardige voeding, aangevuld met de mogelijkheden van het moderne en internationale voedselaanbod. Dit betekent minder suiker en kunstmatige toevoegingen, minder calorierijk voedsel en meer terug naar de basis.
Ook lokaal ontstaan er mooie initiatieven, zoals Zorgboerderij Slangenburg met haar groentetuin, Herenboeren ‘t Maatje, ‘De Goed Gevulde’ met de blije varkens en de biologisch dynamische boerderij van Gerjo Koskamp in Halle.
Kaapse wolken (4 pers.):
recept van vanillevla uit het schriftje van de moeder van fotografe Annie
5 dl. melk
2 eieren
4 lepels suiker
1 1/2 lepel maïzena
1/2 pakje vanille suiker
Splits de eieren in wit en geel,
klop het eiwit zeer stijf.
Meng de dooiers met de maïzena, suiker, vanille suiker en iets melk.
Breng de rest van de melk aan de kook.
Leg het stijfgeslagen eiwit in wolken op de kokende melk, sluit de pan. Laat er 2 minuten in liggen.
De melk ondertussen niet door laten koken.
Neem de vlokken als ze stijf en gaar zijn van de melk af.
Doe het maïzena mengsel in de pan met melk en kook een paar minuten zachtjes door.
Laat deze vanille vla koud worden.
Maak met de vla en eiwitvlokken een decoratief toetje.
Vandaag ben ik op bezoek bij Maron Hilverda, beeldend kunstenaar op boerderij Bruggink aan de Heidenhoekweg bij Zelhem. Het is een plek met geschiedenis, hier woonde vanaf 1894 herenboer Bruggink, werden de eerste Achterhoekse Paardendagen gehouden en ontstond Museum Smedekinck.
Sinds zeven jaar woont Maron Hilverda hier met haar man, haar ouders, haar schoonvader, haar kinderen en hun gezinshuis (een langdurige opvangplek voor kinderen uit probleemgezinnen). Daarnaast beheren ze de camping. Ze heeft dus een vol leven en is 24/7 volledig dienstbaar aan anderen. In de voormalige wagenschuur heeft ze haar schilderatelier ingericht. Eén dag per week is ze hier en kan ze ontladen, verwerken, gedachten afmaken en dromen, tekenen en schilderen. Met het geven van schilderlessen is ze onlangs gestopt.
Maron komt oorspronkelijk uit Vlaardingen en volgde in Arnhem de lerarenopleiding aan de kunstacademie, richting schilderen en fotografie. Op 19-jarige leeftijd ging ze op kamers in een vreemde stad, het was een indrukwekkende periode. Ze leerde haar man kennen, kreeg twee kinderen en verhuisde naar Gaanderen. Ze wandelde veel met haar hond, ook in het buitengebied over donkere akkers. Ze besefte daar steeds meer dat de aarde, de grond waarop wij leven, alles in zich draagt. Dit inzicht sloot aan bij een eerder schilderproject over het scheppingsverhaal, met name het eerste deel: het donker en het ontstaan van het licht. Toen ze later een reis naar IJsland maakte ervaarde ze diezelfde oerkracht, de raadselachtige donkere aarde die borrelt, spuit en leeft. Ook hier maakte ze een serie schilderijen van.
In Gaanderen werd Maron gezinshuismoeder en kwam de interactie tussen mensen, kinderen en volwassenen centraal te staan. Dat was zichtbaar in haar schilderijen: een pierrot in een wonderlijke omgeving, of onder water. Haar onderzoeksvraag daarbij was: hoe verhoud ik mij als klein mens tot het grote geheel, de maatschappij. Antwoorden heeft ze niet, kan ze ook niet geven. Voor haar is kunst een manier om gedachten te ordenen en gevoelens een plaats te geven. Ook met bezoekers praat ze hier graag over. In deze interactie zit voor haar de waarde van kunst.
Rond de verhuizing naar boerderij Bruggink en het buitengebied van Zelhem heeft ze vier jaar niet geschilderd. Nu alles op zijn pootjes terechtgekomen is, komen nieuwe zingevingsvragen op. Haar betrokkenheid bij het milieu en de natuurlijke omgeving maakt dat er nu geen mensen meer voorkomen in haar tekeningen en schilderijen, maar dingen die ze in en op de grond vindt: korstmossen, varens of halfvergane planten.
Zo maakte ze onlangs een prachtige, levensgrote tekening in houtskool en krijt van de omgevallen boomstronk vlakbij kasteel Slangenburg. Ook hierin is haar symboliek te zien, de zoektocht naar ‘verbinding.’ Wij zijn als mens verbonden met elkaar en met de natuur. Dat is wat ze met haar kunst wil zeggen.
Nieuwsgierig geworden? Van 8 mei t/m 28 juni 2026 is nieuw werk van Maron te zien in de Koppelkerk in Bredevoort. Atelierbezoek alleen op aanvraag via de website www.maronhilverda.nl
Plaggen Hendrik en Smoks Hanne proberen de Zelhemse folklore extra kleur te geven. Met originele ideeën vullen zij de Zelhemse geschiedenis aan met sagen en legendes. Het nieuwste initiatief van Stichting Plaggen Hendrik is de bouw van een originele plaggenhut.
Op bezoek bij Willy Dierssen, een bevlogen bestuurslid van Stichting Plaggen Hendrik, wordt het verhaal achter dit project uit de doeken gedaan. Bij het 25-jarig bestaan van de Stichting Plaggen Hendrik kwam men met het plan om ter ere daarvan een echte plaggenhut te bouwen. Zo’n idee is leuk natuurlijk, maar daarna komt het op de uitwerking en realisering aan.
Plaggenhutten waren eenvoudige ‘woningen’ die te vinden waren in de armste gebieden van Nederland, vaak bewoond door grote gezinnen. Eind 19e en begin 20e eeuw kwam de plaggenhut als makkelijk te bouwen en goedkoop in trek bij de ‘gewone man’. Vooral veenarbeiders, arme boeren, dagloners en kolenbranders, maakten er gebruik van. Maar de leefomstandigheden waren erbarmelijk. De hutten waren slecht te verwarmen, altijd vochtig en het krioelde er van ongedierte.
Om een plaggenhut te bouwen is allereerst een plek nodig. Er was de ongeschreven wet dat als je in één dag de hut bouwde en de kachel aan het branden had, dat je dan op die plek mocht blijven wonen! Het betekende dat je een langwerpige kuil van ca 50 centimeter diep en 4 meter breed en 6 tot 8 meter lang uitgroef. De wanden vormden dan de muren, bestaande uit zand. Daarboven werd dan een houten geraamte van boomstammetjes en dikke takken gemaakt. Dit alles moest goed stevig met elkaar verbonden zijn natuurlijk. Op dit geraamte werden plaggen geplaatst, meestal heideplaggen, maar soms werden hiervoor grasplaggen of riet gebruikt. De vloer kon verstevigd worden met leem, keitjes of platte stenen. Aan het éne uiteinde kwam de schoorsteen en aan de andere kant de deur en eventueel ramen. Natuurlijk waren er veel mogelijkheden om de hut sterker en beter te maken. De levensduur van deze plaggenhutten was beperkt, en het was vaak zinvoller een nieuwe hut te bouwen dan de oude op te knappen.
Terug naar het plan van de Stichting Plaggen Hendrik om een plaggenhut te bouwen. Het eerste idee stuitte o.a. op de coronaperiode en werd door het bestuur van Plaggen Hendrik doorgeschoven naar het 30-jarig bestaan in 2024. Intussen was over de plaats van de plaggenhut overlegd met de gemeente en met het bestuur van Museum Smedekinck, over de mogelijkheid om de plaggenhut aldaar een vaste plek te geven. In eerste instantie bleek het ‘bouwblok’ hiervoor te klein. Dat betekende dat er een nieuwe vergunning aangevraagd moest worden. Dit zorgde voor nog eens anderhalf jaar vertraging. Financiële middelen werden gevonden via culturele fondsen, de Rabobank en allerlei acties. Een klein bedrag ontbreekt nog, maar er is inmiddels voldoende budget om binnenkort te kunnen starten. Staatsbosbeheer is bereid gevonden om het hout en de plaggen te leveren. De hut wordt vergelijkbaar met de hut die in Hoenderloo is gebouwd. De bouw wordt begeleid door Stichting Plaggen Hendrik. De planning is dat de hut in de herfst toegankelijk is voor publiek.
Omdat de plaggenhut door Museum Smedekinck als educatief middel voor basisscholen gebruikt gaat worden, is het natuurlijk van belang dat hij een langere levensduur heeft dan de oorspronkelijke hutten.
Daarom, zo geeft Willy Dierssen aan, worden op het houten geraamte extra platen, plastic en gaas aangebracht, zodat de plaggen langer meegaan en het klimaat in de hut beter blijft. De zijwanden worden ook met houten planken verstevigd. De deur, raamkozijnen en schoorsteen zijn van hout, waarbij de schoorsteen tegen de hut is aangebouwd.
Met deze bouw zorgen Stichting Plaggen Hendrik en Museum Smedekinck voor een mooie uitbreiding van dit museum. Basisschoolleerlingen krijgen een beter beeld van de lokale geschiedenis en worden zich bewust van de armoe waarin men vroeger leefde en de gevolgen daarvan. Een waardevolle aanvulling op het educatieprogramma rond geschiedenis, cultuur en duurzaamheid.
Net als Smoks Hanne is Plaggen Hendrik niet meer weg te denken uit het Zelhemse straatbeeld. Veel Zelhemse ondernemers hebben daarop ingespeeld. Het gevolg is dat veel mensen niet weten dat veel historische feiten rondom deze personen verzonnen zijn binnen de stichting. Maar het levert wel folklore en saamhorigheid binnen het dorp op en prachtige plaatjes tijdens de kermisoptocht. Eén van de bedachte producten is de Plaggen Hendrik Foezel, ‘een zuivere geestnevel voor de krachtige drinker’, die aangeeft rijk te zijn aan Zelhemse kruiden. Wie weet levert deze nog meer mooie plannen op.
“Wij hebben echt heel veel geluk met de familie Hammink, de samenwerking verloopt zo mooi”, zegt Karin Aalders, voorzitter van de kersverse coöperatieve vereniging Herenboerderij ’t Maatje. “En wij zijn heel blij met het initiatief Herenboeren”, zegt Heleen Hammink. “Het is voor ons een hele mooie manier om het familie-erfgoed in stand te houden.” (op de foto ziet u v.l.n.r. Jan Hammink, Liesbeth Hammink, Heleen Hammink, Karin Aalders en Dorinde van Bekkum)
We zitten aan de keukentafel bij Jan Hammink aan de Vreeltstraat in Gaanderen. Rond de tafel zitten verder Heleen Hammink, dochter van Jan, Karin Aalders en Dorinde van Bekkum, bestuursleden van Herenboerderij ‘t Maatje. Dit is de plek waar de familie Hammink al sinds 1836 boert. Jan vertelt: “Dit bedrijf is destijds gekocht door een voorvader, een rijke bierbrouwer uit Breedenbroek. Mijn twee dochters zijn nu de zesde generatie Hammink op dit bedrijf. Het is altijd voor de streek een grote boerderij geweest met ruim 40 ha grond. Ik ben hier in ’72 begonnen met boeren. Destijds hadden we hier zo’n beetje van alles wat, koeien, kippen, varkens, groente, graan, fruit. Maar ik bouwde toen al snel een ligboxenstal voor ruim 80 koeien en heb me gespecialiseerd in de melkveehouderij. Toen de melkquotering kwam in de jaren tachtig is het aantal koeien wat afgenomen en heb ik de akkerbouw weer wat uitgebreid. Eind jaren negentig stond ik voor de keuze hoe we verder moesten met het bedrijf. De stal was aan vervanging toe, maar mijn dochters waren geen bedrijfsopvolger. Ik ben toen andere plannen gaan maken.”
Nieuw landgoed
Begin deze eeuw begon de provincie beleid te maken voor het stichten van nieuwe landgoederen. Jan kreeg daar lucht van en meldde zich als één van de eerste pioniers. “Ik ben in ’98 met de plannenmakerij begonnen. In 2003 zijn we toen het boerenbedrijf gaan omvormen naar een landgoed. De koeien gingen weg en de oude ligboxenstal werd gesloopt. We mochten volgens de provinciale regeling enkele bouwkavels ontwikkelen, daarmee konden we de omvorming financieren. Dertig hectare plantten we in met bos en elf hectare bleef reguliere landbouwgrond. Die grond hebben we steeds verpacht aan een akkerbouwer die er vooral aardappels teelde.” Inmiddels doet Jan een stapje terug en is de volgende generatie aan zet om het bedrijf verder te ontwikkelen.
Herenboeren
Heleen: “Wij willen op de elf hectare landbouwgrond iets anders doen dat beter past bij de natuurontwikkeling. Je hebt allerlei organisaties die dat willen, zoals Land van Ons en Lenteland, maar die willen de grond van je kopen. Wij willen het familiebezit in stand houden. Toen kwam ik de Stichting Herenboeren op het spoor. Ik heb me daarin verdiept en dat sprak ons erg aan.”
Het concept Herenboeren ging tien jaar geleden van start in Brabant. Het idee is dat een lokale groep burgers een boerderij pacht en daar gezamenlijk op een natuurvriendelijke wijze het eigen voedsel gaat verbouwen. Een soort moderne, collectieve variant van de volkstuin. Inmiddels zijn er in het land al 23 Herenboerderijen actief van gemiddeld ca 20 ha, waar zo’n 9000 burgers verantwoordelijk voor zijn. Het zijn gemengde bedrijven waar, onder begeleiding van een professionele bedrijfsboer, de burgers zelf hun groenten en fruit telen en kleinschalig kippen, varkens en koeien houden. Meewerken mag, maar moet niet. Er zijn in het land momenteel zo’n 25 Herenboerderijen in voorbereiding. Eén daarvan is Herenboerderij ’t Maatje, de eerste in de Achterhoek.
Klein begin
Het Achterhoekse avontuur begon met een telefoontje van Heleen naar de landelijke stichting Herenboeren. Dat leidde in november ’24 tot de eerste stap: een informatiebijeenkomst in herberg ’t Onland. Karin Aalders had zich al eerder als geïnteresseerde ingeschreven bij Herenboeren en dacht ’dat is iets voor mij.’ Karin: “Ik ben een echte liefhebber van de natuur en het buitenleven. Weten waar je eten vandaan komt en dat het duurzaam is geproduceerd vind ik belangrijk.” In ’t Onland toonden veertig mensen interesse. Het idee sloeg aan en in januari ’25 was er een vervolgbijeenkomst waaruit een groep van twaalf kartrekkers naar voren kwam, waarvan Karin de voorzitter mag zijn. Inmiddels is er een coöperatie opgericht en zijn er diverse werkgroepen actief die onderdelen van de Herenboerderij verder uitwerken. Het plan is om tijdens de Week van de Circulaire Economie van de gemeente Doetinchem, eind maart, Herenboerderij ’t Maatje officieel te openen.
Karin: “We gaan van start, maar zijn met de huidige zestig leden eigenlijk nog te klein: 200 leden is officieel de startdrempel. Nieuwe leden zijn dus zeer welkom. De elf hectare van Hammink is voor ons nu nog te groot. Maar de familie Hammink komt ons echt tegemoet en verpacht ons eerst 2 hectare. Wanneer we groeien kunnen we meer land bij pachten.” Jan Hammink: “Als je samen iets nieuws van de grond wilt krijgen, moet je elkaar een beetje tegemoet komen.”
Zo word je Herenboer
Altijd al Herenboer willen worden? Dit is je kans! Met een eenmalige inleg van €2500,- ben je mede-eigenaar van Herenboerderij ‘t Maatje. Het is geld op naam, dus je kunt je aandeel eventueel t.z.t. aan een ander verkopen. Maar dat kan pas na drie jaar. Verder betaal je een contributie, afhankelijk van hoeveel monden je wilt laten mee-eten, van €11,- tot €15,- per week. Die contributie geeft je recht op een wekelijkse krat met verantwoord, biologisch voedsel van eigen land. Karin: “We hebben het uitgerekend en dat komt ongeveer overeen met de kosten die je anders in een week kwijt bent voor biologisch voedsel.”
Dorinde vult aan: “We weten dat het inleggeld voor mensen met een smalle beurs een probleem is. Maar ook voor hen willen we mogelijkheden ontwikkelen om mee te doen. Daar werken we aan in onze speciale werkgroep ‘de smalle beurs.’ Iedereen die wil, moet kunnen aansluiten. Het is zo leuk om deel te zijn van deze groep, om samen te werken op het land. Dat gemeenschapsgevoel gun je iedereen.” Nieuwsgierig? Elke laatste zondagochtend van de maand is er een rondleiding op de boerderij.
In het najaar van 2021 begon Anita Wentink met de aanleg van een walnotenboomgaard aan de Lankerseweg, tussen Halle en de Nijman. Nu haar kinderen ouder worden, zocht ze eenproject met diepgang en toekomst en vooral: buiten.
Met hulp van haar vader werd de aankoop van vijf hectare grond mogelijk. Grond behoudt zijn waarde, dus de boomgaard is niet alleen een passieproject, maar ook een investering. Vijfentwintig jaar geleden tijdens een verblijf in Nieuw-Zeeland raakte ze onder de indruk van de kiwiteelt daar. Dat leek haar ook wel wat, maar het Nederlandse klimaat is minder geschikt voor kiwi’s. De grote walnotenboom bij haar ouders in Gendringen bracht haar uiteindelijk op het idee voor een walnotengaard.
De teelt van walnoten is nog relatief onbekend terrein. Anita moest veel zelf ontdekken. “Google was mijn grote vriend”, vertelt ze. Ze houdt alles nauwkeurig bij in Excel-bestanden en pioniert er lustig op los. Als echte boerendochter staat ze met beide benen op de grond en doet ze er alles aan om de bomen in optimale conditie te houden. De bodem werd verrijkt met kalk, diep gewoeld en de sloten rondom worden goed onderhouden.
Er is een kruidenrijke akkerrand ingezaaid en er liggen verspreid takkenbosjes voor de biodiversiteit en belangrijk voor de fauna. Dit biedt nestgelegenheid voor allerlei dieren, waardoor er een mooi en gevarieerd landschap ontstaat. “Ik ben niet alleen op de wereld voor mijn eigen dingen”, zegt Anita. Elke keer opnieuw geniet ze van de fietstocht vanuit haar woonplaats Zelhem naar de boomgaard.
Met meer dan vijf hectare grond is Anita officieel ondernemer en krijgt ze te maken met allerlei regelgeving, bijvoorbeeld rondom mestgebruik. Ook voor de verkoop van noten gelden strikte eisen. Daarom richt ze zich voorlopig op de verkoop van hele walnoten. Mogelijke verwerking (maken van walnootolie of likeur), laat ze nog aan anderen over. Ze heeft haar handen al vol aan haar gezin en deze 300 bomen van 25 verschillende rassen.
Vorig jaar zijn in mei de kleine nootjes verwijderd, zodat de energie naar de groei van de bomen kon gaan. In 2026 gaat er echt geoogst worden, al zal de opbrengst nog beperkt zijn. Daarna worden de noten gewassen. In sommige landen worden ze zelfs gebleekt voor een mooier uiterlijk. Daarna gaan ze direct de droogmachine in. Anita heeft een kleine droger aangeschaft om ervaring mee op te doen.
Vervolgens worden de noten gekalibreerd: gesorteerd op grootte voor het kraakproces. Elk ras kraakt anders. Ook is er verschil in smaak, grootte, oliegehalte en de manier waarop de noot in de dop ligt. Na het sorteren worden de noten afgewogen, in netten gehangen en opgeslagen bij maximaal 15 graden om schimmelvorming te voorkomen. Klaar voor de verkoop!
Al met al is dit een traject van de lange adem. De kinderen gaan vaak mee naar het Notenbos, waar een pipowagen staat die ook dienstdoet als vakantiehuisje. Daar hebben ze een goede buur aan Johan. Als echte naober geniet hij van de gezelligheid en de reuring die het Notenbos met zich meebrengt.
Voor meer informatie kijk op www.indenotendop.nl.
Walnoten bevatten veel gezonde onverzadigde vetten, plantaardige eiwitten, vitamines en mineralen
Frans Derksen over biologische teelt, bodemleven en vergeten groenten
Joop Helmink
Met de lente in aantocht komt ook de volkstuin weer volop tot leven. Aan het Voorbroek, in het buitengebied van de Gaanderse Hei, werkt Frans Derksen uit Terborg al decennialang met hart en ziel in zijn volkstuin. Voor hem is tuinieren geen hobby, maar een manier van leven en een directe bron van gezonde, pure voeding. Zijn tuin laat zien dat goede voeding begint bij een gezonde bodem.
Volgens Frans begint dat al in de winter. De bodem zoveel mogelijk bedekt laten is daarbij belangrijk. Door de tuin in de winter niet ‘schoon’ te maken, maar blad, plantenresten en bodembedekkers te laten liggen, vinden de insecten er een schuilplaats, het bodemleven blijft actief en uitdroging en verharding van de grond wordt tegengegaan.
Biologisch als bewuste keuze
Frans tuiniert volledig biologisch. Hij gebruikt geen chemische meststoffen en geen kunstmatige voedingsmiddelen. Zijn aanpak is gericht op het opbouwen van een gezonde, levende bodem, waarin wormen, schimmels en micro-organismen een belangrijke rol spelen. Volgens Frans proef je dat direct terug in de kwaliteit van de groenten.
Biologisch werken vraagt om geduld en aandacht. Het betekent ook dat je meer moet kijken, voelen en bijsturen. Experimenteren hoort daarbij. Soms pakt een teelt uitstekend uit, soms valt een oogst tegen. Voor Frans is dat geen reden om het anders te doen. Elke ervaring levert nieuwe kennis op, die hij het volgende seizoen weer meeneemt.
Bodem centraal: werken met de woelvork
Waar veel tuinders nog steeds spitten, kiest Frans bewust voor een andere methode. Hij gebruikt een woelvork om de grond los te maken en te beluchten. Daarmee blijft de natuurlijke bodemstructuur intact en worden de verschillende bodemlagen niet door elkaar gehaald. Deze manier van werken is niet alleen beter voor het bodemleven, maar ook rug vriendelijker. De grond blijft luchtig, water kan beter worden opgenomen en wortels krijgen meer ruimte.
Vergeten groenten terug op tafel
Op de tuin van Frans groeien niet alleen de bekende soorten. Hij heeft bijzondere belangstelling voor zogeheten vergeten groenten, die perfect passen bij het lentethema voeding.
Palmkool is daarvan een mooi voorbeeld. Deze koolsoort werd al door de Romeinen naar deze streken gebracht, maar raakte later in de vergetelheid. Tegenwoordig wordt palmkool weer herontdekt vanwege zijn stevige structuur, rijke smaak en voedingswaarde.
Ook pastinaak en wortelpeterselie hebben bij Frans een vaste plek. Het zijn groenten die vroeger heel gewoon waren in de Nederlandse keuken, maar die later naar de achtergrond verdwenen. Mits goed bereid, zijn ze verrassend veelzijdig. Steeltjes, wie kent ze niet, horen daar volgens Frans onlosmakelijk bij. Zoals hij het zelf zegt: “Wat vrogger heel gewoon was, is now weer gold weerd.”
Vergeten groenten – met korte kooktips
Oud, maar verrassend modern. Steeds meer tuinders en koks herontdekken vergeten groenten. Ze zijn vaak smaakvol, voedzaam en passen perfect in een seizoenskeuken.
Palmkool Tip: roerbak met knoflook en olijfolie Lekker in pasta, stamppot of als chips uit de oven
Pastinaak Tip: snijd in frietjes en rooster in de oven Ook heerlijk in soep of als puree
Wortelpeterselie Tip: combineer met wortel en ui in stoofgerechten Geeft extra diepte aan bouillon en soepen
Steeltjes Tip: kort koken of wokken met ei en nootmuskaat Klassiek als stamppot of door een voorjaarsomelet