Eten en gegeten worden in de natuur

Gert Jan van de ‘Brouwer’

Ook in de Slangenburg heerst het recht van de sterkste. Vroeger was dit de familie van Baer. Zij bezaten het jachtrecht en zaten aan de top van de voedselketen. Jagen is tegenwoordig beperkt tot het beheren van de reeën stand door de WBE (wildbeheereenheid) maar verder regelt de natuur dit zelf. We praten dan over een voedselketen. In je tuin herken je dit ook. De zangvogeltjes eten insecten en zaden maar worden op hun beurt weer gegeten door vleeseters zoals de sperwer. Welke voedselketens komen we tegen in en om de Slangenburg? De dieren in de top van de voedselketen zijn het meest kwetsbaar, uitgezonderd de mens.

Laten we beginnen met het zonlicht waardoor groene planten gaan groeien; bomen, gras en andere planten. Deze planten worden gegeten door rupsen en andere planteneters. Rupsen en maden veranderen in vliegen en vlinders. Rupsen en vliegen worden op hun beurt weer gegeten door spinnen, duizendpoten en andere kriebelbeestjes. Vervolgens eten vogels en insecteneters zoals egels en spitsmuizen zowel de rupsen als die andere kriebelbeestjes. De meeste vogels zoeken eiwitten in de vorm van rupsen en insecten voor hun jongen. Een gedeelte van deze vogels eet zelf ook zaden. De vogels die alleen insecten eten, vertrekken ’s winters aangezien hier dan geen insecten zijn. De zaadeters blijven overwinteren. Om de kringloop compleet te maken zijn er roofvogels zoals uilen en roofdieren die vogels eten maar ook andere planteneters zoals muizen en hazen. Elke soort heeft zich gespecialiseerd in bepaald voedsel. Is dat voedsel er niet, dan sterft deze soort uit of gaat elders op zoek naar dit voedsel. Sommige roofvogels vertrekken daarom ook ‘s winters. Denk maar aan de boomvalk en de wespendief.

Een vergelijkbare kringloop kun je ook in het water tegenkomen. Daar begint het met algen die door watervlooien gegeten worden die vervolgen weer verorberd worden door kleine visjes die daarna weer door grotere vissen gegeten worden. De vissen zijn vervolgens weer een prooi voor reigers, aalscholvers, maar tegenwoordig ook voor de otter in de Bielheimerbeek en misschien een passerende zeearend.

De natuur is flexibel als deze niet verstoord is. Zijn er teveel rupsen dan leggen de koolmeesjes meer eitjes en brengen meer jongen groot die op hun beurt ook weer rupsen eten. Zijn er veel muizen dan groeit het aantal kerkuilen. Maar andersom kunnen dieraantallen ook sterk afnemen zoals het ijsvogeltje. Deze winter zullen er veel overleden zijn door ijs op sloten en beken. Ze kunnen niet lang zonder visjes. Maar gelukkig herstellen ze zich meestal snel.

Bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is het belangrijk dat ze alleen de plaagsoort bestrijden en niet alle andere beestjes. Ook kunnen we natuurlijke of biologische middelen gebruiken. Het verleden heeft ons geleerd dat soorten door vervuiling, inkrimpen van leefomgeving, maar ook door de aanplant van exoten, verdwijnen. Denk aan de ooievaar die rond 1970 bijna verdwenen was door te agressieve bestrijdingsmiddelen en verlaging van het grondwaterpeil. De ooievaar is echter na verbetering van de leefomgeving met succes geherintroduceerd. Soorten die wel krimpen zijn weidevogels, maar ook roofdieren, zoals de bunzing, hermelijn en wezel. Voor hen was te weinig voedsel beschikbaar in en om de Slangenburg. Voedsel kan ook afnemen door de aanplant van exoten die slecht gegeten worden door lokale dieren. Dit kunnen bomen zijn zoals de Douglas en de Hemlockspar die de familie Passmann in de Slangenburg aanplantte. Door extensivering van de akkers en de aanplant van gesubsidieerde akkerranden met wildmengsels in en rondom de Slangenburg wordt tegenwoordig de omgeving voor b.v. de patrijs maar ook voor kleine zoogdieren weer verbeterd. En daar profiteren de dieren bovenin de voedselketen ook weer van.


Voeding vroeger en nu

Hanneke van de Velde

Voeding is de laatste jaren sterk veranderd. Van seizoensgebonden, lokale producten en basisvoedsel zoals graanpap, naar een wereldwijd aanbod en onbeperkte keuze. Ook bevat het hedendaagse voedsel veel meer bewerkte koolhydraten en suikers, wat heeft bijgedragen aan diverse gezondheidsproblemen. Op dit moment verschuift de focus langzaam weer richting onbewerkte voeding, eiwitten en gezonde vetten in plaats van granen en industrieel bewerkt eten. Ook lokaal verbouwde producten zijn in opkomst. Er ontstaat een groeiend bewustzijn over de invloed van voeding op ons welzijn. 

Eetgewoonten door de jaren heen

Het idee om eetgewoonten aan te passen om slanker of gezonder te worden, blijkt al sinds 1724 te bestaan. Toen werd al geschreven over het idee om bepaalde voedingsmiddelen uit het dieet weg te laten, al werd dit pas echt populair aan het begin van de twintigste eeuw. Nu is dit thema nog steeds actueel.

Voeding vroeger

In de negentiende en begin van de twintigste eeuw was men volledig afhankelijk van wat het land op dat moment bood, zoals aardappelen en seizoen groenten. De moestuin en de kippen, varkens en koeien op het erf, voorzagen in het dagelijkse eten. Typerend voor die tijd was dat alles van een dier of product volledig werd gebruikt. Niets werd verspild. Een voorbeeld hiervan is balkenbrij. Maar ook het recept in bijgaand kader gaat daar over: Kaapse wolken: Vanillevla werd gemaakt met onder andere eidooiers. Het overgebleven eiwit werd gebruikt om Kaapse wolken van te maken, die als decoratie dienden voor op de vla. Kant en klare vanillevla of custard bestond toen nog niet, vla werd zelf gemaakt met maïzena, eigeel en (vanille)suiker.

Voeding nu

Door de opkomst van industriële voeding en de stijgende welvaart werd fabrieksmatig geproduceerde voeding voor iedereen toegankelijk. Hieraan werden tal van ingrediënten toegevoegd om ze langer houdbaar en smaakvol te maken, zodat ze vaker werden gekocht. Wat er precies in zat en of het gezond was, was minder relevant.

Doordat voeding meer suikers en koolhydraten ging bevatten en de mens minder ging bewegen, ontstonden er allerlei welvaartsziekten.

Toekomst

Op dit moment is er een voorzichtige kentering te zien. Meer mensen kiezen bewust voor onbewerkte, plantaardige voeding, aangevuld met de mogelijkheden van het moderne en internationale voedselaanbod. Dit betekent minder suiker en kunstmatige toevoegingen, minder calorierijk voedsel en meer terug naar de basis.

Ook lokaal ontstaan er mooie initiatieven, zoals Zorgboerderij Slangenburg met haar groentetuin, Herenboeren ‘t Maatje, ‘De Goed Gevulde’ met de blije varkens en de biologisch dynamische boerderij van Gerjo Koskamp in Halle.

recept van vanillevla uit het schriftje van de moeder van fotografe Annie

5 dl. melk

2 eieren

4 lepels suiker

1 1/2 lepel maïzena

1/2 pakje vanille suiker

Splits de eieren in wit en geel,

klop het eiwit zeer stijf.

Meng de dooiers met de maïzena, suiker, vanille suiker en iets melk.

Breng de rest van de melk aan de kook.

Leg het stijfgeslagen eiwit in wolken op de kokende melk, sluit de pan. Laat er 2 minuten in liggen.

De melk ondertussen niet door laten koken.

Neem de vlokken als ze stijf en gaar zijn van de melk af.

Doe het maïzena mengsel in de pan met melk en kook een paar minuten zachtjes door.

Laat deze vanille vla koud worden.

Maak met de vla en eiwitvlokken een decoratief toetje.


Kunst in de kijker

Kunst in de Kijker

Anneke Zwager

Vandaag ben ik op bezoek bij Maron Hilverda, beeldend kunstenaar op boerderij Bruggink aan de Heidenhoekweg bij Zelhem. Het is een plek met geschiedenis, hier woonde vanaf 1894 herenboer Bruggink, werden de eerste Achterhoekse Paardendagen gehouden en ontstond Museum Smedekinck.

Sinds zeven jaar woont Maron Hilverda hier met haar man, haar ouders, haar schoonvader, haar kinderen en hun gezinshuis (een langdurige opvangplek voor kinderen uit probleemgezinnen). Daarnaast beheren ze de camping. Ze heeft dus een vol leven en is 24/7 volledig dienstbaar aan anderen. In de voormalige wagenschuur heeft ze haar schilderatelier ingericht. Eén dag per week is ze hier en kan ze ontladen, verwerken, gedachten afmaken en dromen, tekenen en schilderen. Met het geven van schilderlessen is ze onlangs gestopt.

Maron komt oorspronkelijk uit Vlaardingen en volgde in Arnhem de lerarenopleiding aan de kunstacademie, richting schilderen en fotografie. Op 19-jarige leeftijd ging ze op kamers in een vreemde stad, het was een indrukwekkende periode. Ze leerde haar man kennen, kreeg twee kinderen en verhuisde naar Gaanderen. Ze wandelde veel met haar hond, ook in het buitengebied over donkere akkers. Ze besefte daar steeds meer dat de aarde, de grond waarop wij leven, alles in zich draagt. Dit inzicht sloot aan bij een eerder schilderproject over het scheppingsverhaal, met name het eerste deel: het donker en het ontstaan van het licht. Toen ze later een reis naar IJsland maakte ervaarde ze diezelfde oerkracht, de raadselachtige donkere aarde die borrelt, spuit en leeft. Ook hier maakte ze een serie schilderijen van.

In Gaanderen werd Maron gezinshuismoeder en kwam de interactie tussen mensen, kinderen en volwassenen centraal te staan. Dat was zichtbaar in haar schilderijen: een pierrot in een wonderlijke omgeving, of onder water. Haar onderzoeksvraag daarbij was: hoe verhoud ik mij als klein mens tot het grote geheel, de maatschappij. Antwoorden heeft ze niet, kan ze ook niet geven. Voor haar is kunst een manier om gedachten te ordenen en gevoelens een plaats te geven. Ook met bezoekers praat ze hier graag over. In deze interactie zit voor haar de waarde van kunst.

Rond de verhuizing naar boerderij Bruggink en het buitengebied van Zelhem heeft ze vier jaar niet geschilderd. Nu alles op zijn pootjes terechtgekomen is, komen nieuwe zingevingsvragen op. Haar betrokkenheid bij het milieu en de natuurlijke omgeving maakt dat er nu geen mensen meer voorkomen in haar tekeningen en schilderijen, maar dingen die ze in en op de grond vindt: korstmossen, varens of halfvergane planten.

Zo maakte ze onlangs een prachtige, levensgrote tekening in houtskool en krijt van de omgevallen boomstronk vlakbij kasteel Slangenburg. Ook hierin is haar symboliek te zien, de zoektocht naar ‘verbinding.’ Wij zijn als mens verbonden met elkaar en met de natuur. Dat is wat ze met haar kunst wil zeggen.

Nieuwsgierig geworden? Van 8 mei t/m 28 juni 2026 is nieuw werk van Maron te zien in de Koppelkerk in Bredevoort. Atelierbezoek alleen op aanvraag via de website www.maronhilverda.nl


Plaggenhut brengt Zelhemse geschiedenis tot leven

Harry Krul

Plaggen Hendrik en Smoks Hanne proberen de Zelhemse folklore extra kleur te geven. Met originele ideeën vullen zij de Zelhemse geschiedenis aan met sagen en legendes. Het nieuwste initiatief van Stichting Plaggen Hendrik is de bouw van een originele plaggenhut.

Op bezoek bij Willy Dierssen, een bevlogen bestuurslid van Stichting Plaggen Hendrik, wordt het verhaal achter dit project uit de doeken gedaan. Bij het 25-jarig bestaan van de Stichting Plaggen Hendrik kwam men met het plan om ter ere daarvan een echte plaggenhut te bouwen. Zo’n idee is leuk natuurlijk, maar daarna komt het op de uitwerking en realisering aan.

Plaggenhutten waren eenvoudige ‘woningen’ die te vinden waren in de armste gebieden van Nederland, vaak bewoond door grote gezinnen. Eind 19e en begin 20e eeuw kwam de plaggenhut als makkelijk te bouwen en goedkoop in trek bij de ‘gewone man’. Vooral veenarbeiders, arme boeren, dagloners en kolenbranders, maakten er gebruik van. Maar de leefomstandigheden waren erbarmelijk. De hutten waren slecht te verwarmen, altijd vochtig en het krioelde er van ongedierte.

Om een plaggenhut te bouwen is allereerst een plek nodig. Er was de ongeschreven wet dat als je in één dag de hut bouwde en de kachel aan het branden had, dat je dan op die plek mocht blijven wonen! Het betekende dat je een langwerpige kuil van ca 50 centimeter diep en 4 meter breed en 6 tot 8 meter lang uitgroef. De wanden vormden dan de muren, bestaande uit zand. Daarboven werd dan een houten geraamte van boomstammetjes en dikke takken gemaakt. Dit alles moest goed stevig met elkaar verbonden zijn natuurlijk. Op dit geraamte werden plaggen geplaatst, meestal heideplaggen, maar soms werden hiervoor grasplaggen of riet gebruikt. De vloer kon verstevigd worden met leem, keitjes of platte stenen. Aan het éne uiteinde kwam de schoorsteen en aan de andere kant de deur en eventueel ramen. Natuurlijk waren er veel mogelijkheden om de hut sterker en beter te maken. De levensduur van deze plaggenhutten was beperkt, en het was vaak zinvoller een nieuwe hut te bouwen dan de oude op te knappen.

Terug naar het plan van de Stichting Plaggen Hendrik om een plaggenhut te bouwen. Het eerste idee stuitte o.a. op de coronaperiode en werd door het bestuur van Plaggen Hendrik doorgeschoven naar het 30-jarig bestaan in 2024. Intussen was over de plaats van de plaggenhut overlegd met de gemeente en met het bestuur van Museum Smedekinck, over de mogelijkheid om de plaggenhut aldaar een vaste plek te geven. In eerste instantie bleek het ‘bouwblok’ hiervoor te klein. Dat betekende dat er een nieuwe vergunning aangevraagd moest worden. Dit zorgde voor nog eens anderhalf jaar vertraging. Financiële middelen werden gevonden via culturele fondsen, de Rabobank en allerlei acties. Een klein bedrag ontbreekt nog, maar er is inmiddels voldoende budget om binnenkort te kunnen starten. Staatsbosbeheer is bereid gevonden om het hout en de plaggen te leveren. De hut wordt vergelijkbaar met de hut die in Hoenderloo is gebouwd. De bouw wordt begeleid door Stichting Plaggen Hendrik. De planning is dat de hut in de herfst toegankelijk is voor publiek.

Omdat de plaggenhut door Museum Smedekinck als educatief middel voor basisscholen gebruikt gaat worden, is het natuurlijk van belang dat hij een langere levensduur heeft dan de oorspronkelijke hutten.

Daarom, zo geeft Willy Dierssen aan, worden op het houten geraamte extra platen, plastic en gaas aangebracht, zodat de plaggen langer meegaan en het klimaat in de hut beter blijft. De zijwanden worden ook met houten planken verstevigd. De deur, raamkozijnen en schoorsteen zijn van hout, waarbij de schoorsteen tegen de hut is aangebouwd.

Met deze bouw zorgen Stichting Plaggen Hendrik en Museum Smedekinck voor een mooie uitbreiding van dit museum. Basisschoolleerlingen krijgen een beter beeld van de lokale geschiedenis  en worden zich bewust van de armoe waarin men vroeger leefde en de gevolgen daarvan. Een waardevolle aanvulling op het educatieprogramma rond geschiedenis, cultuur en duurzaamheid.

Net als Smoks Hanne is Plaggen Hendrik niet meer weg te denken uit het Zelhemse straatbeeld. Veel Zelhemse ondernemers hebben daarop ingespeeld. Het gevolg is dat veel mensen niet weten dat veel historische feiten rondom deze personen verzonnen zijn binnen de stichting. Maar het levert wel folklore en saamhorigheid binnen het dorp op en prachtige plaatjes tijdens de kermisoptocht. Eén van de bedachte producten is de Plaggen Hendrik Foezel, ‘een zuivere geestnevel voor de krachtige drinker’, die aangeeft rijk te zijn aan Zelhemse kruiden. Wie weet levert deze nog meer mooie plannen op.


Word ook Herenboer en verbouw je eigen eten

Carel de Vries

“Wij hebben echt heel veel geluk met de familie Hammink, de samenwerking verloopt zo mooi”, zegt Karin Aalders, voorzitter van de kersverse coöperatieve vereniging Herenboerderij ’t Maatje. “En wij zijn heel blij met het initiatief Herenboeren”, zegt Heleen Hammink. “Het is voor ons een hele mooie manier om het familie-erfgoed in stand te houden.” (op de foto ziet u v.l.n.r. Jan Hammink,  Liesbeth Hammink, Heleen Hammink, Karin Aalders en Dorinde van Bekkum)

We zitten aan de keukentafel bij Jan Hammink aan de Vreeltstraat in Gaanderen. Rond de tafel zitten verder Heleen Hammink, dochter van Jan, Karin Aalders en Dorinde van Bekkum, bestuursleden van Herenboerderij ‘t Maatje. Dit is de plek waar de familie Hammink al sinds 1836 boert. Jan vertelt: “Dit bedrijf is destijds gekocht door een voorvader, een rijke bierbrouwer uit Breedenbroek. Mijn twee dochters zijn nu de zesde generatie Hammink op dit bedrijf. Het is altijd voor de streek een grote boerderij geweest met ruim 40 ha grond. Ik ben hier in ’72 begonnen met boeren. Destijds hadden we hier zo’n beetje van alles wat, koeien, kippen, varkens, groente, graan, fruit. Maar ik bouwde toen al snel een ligboxenstal voor ruim 80 koeien en heb me gespecialiseerd in de melkveehouderij. Toen de melkquotering kwam in de jaren tachtig is het aantal koeien wat afgenomen en heb ik de akkerbouw weer wat uitgebreid. Eind jaren negentig stond ik voor de keuze hoe we verder moesten met het bedrijf. De stal was aan vervanging toe, maar mijn dochters waren geen bedrijfsopvolger. Ik ben toen andere plannen gaan maken.”

Nieuw landgoed

Begin deze eeuw begon de provincie beleid te maken voor het stichten van nieuwe landgoederen. Jan kreeg daar lucht van en meldde zich als één van de eerste pioniers. “Ik ben in ’98 met de plannenmakerij begonnen. In 2003 zijn we toen het boerenbedrijf gaan omvormen naar een landgoed. De koeien gingen weg en de oude ligboxenstal werd gesloopt. We mochten volgens de provinciale regeling enkele bouwkavels ontwikkelen, daarmee konden we de omvorming financieren. Dertig hectare plantten we in met bos en elf hectare bleef reguliere landbouwgrond. Die grond hebben we steeds verpacht aan een akkerbouwer die er vooral aardappels teelde.” Inmiddels doet Jan een stapje terug en is de volgende generatie aan zet om het bedrijf verder te ontwikkelen.

Herenboeren

Heleen: “Wij willen op de elf hectare landbouwgrond iets anders doen dat beter past bij de natuurontwikkeling. Je hebt allerlei organisaties die dat willen, zoals Land van Ons en Lenteland, maar die willen de grond van je kopen. Wij willen het familiebezit in stand houden. Toen kwam ik de Stichting Herenboeren op het spoor. Ik heb me daarin verdiept en dat sprak ons erg aan.”

Het concept Herenboeren ging tien jaar geleden van start in Brabant. Het idee is dat een lokale groep burgers een boerderij pacht en daar gezamenlijk op een natuurvriendelijke wijze het eigen voedsel gaat verbouwen. Een soort moderne, collectieve variant van de volkstuin. Inmiddels zijn er in het land al 23 Herenboerderijen actief van gemiddeld ca 20 ha, waar zo’n 9000 burgers verantwoordelijk voor zijn. Het zijn gemengde bedrijven waar, onder begeleiding van een professionele bedrijfsboer, de burgers zelf hun groenten en fruit telen en kleinschalig kippen, varkens en koeien houden. Meewerken mag, maar moet niet. Er zijn in het land momenteel zo’n 25 Herenboerderijen in voorbereiding. Eén daarvan is Herenboerderij ’t Maatje, de eerste in de Achterhoek.

Klein begin

Het Achterhoekse avontuur begon met een telefoontje van Heleen naar de landelijke stichting Herenboeren. Dat leidde in november ’24 tot de eerste stap: een informatiebijeenkomst in herberg ’t Onland. Karin Aalders had zich al eerder als geïnteresseerde ingeschreven bij Herenboeren en dacht ’dat is iets voor mij.’ Karin: “Ik ben een echte liefhebber van de natuur en het buitenleven. Weten waar je eten vandaan komt en dat het duurzaam is geproduceerd vind ik belangrijk.” In ’t Onland toonden veertig mensen interesse. Het idee sloeg aan en in januari ’25 was er een vervolgbijeenkomst waaruit een groep van twaalf kartrekkers naar voren kwam, waarvan Karin de voorzitter mag zijn. Inmiddels is er een coöperatie opgericht en zijn er diverse werkgroepen actief die onderdelen van de Herenboerderij verder uitwerken. Het plan is om tijdens de Week van de Circulaire Economie van de gemeente Doetinchem, eind maart, Herenboerderij ’t Maatje officieel te openen.

Karin: “We gaan van start, maar zijn met de huidige zestig leden eigenlijk nog te klein: 200 leden is officieel de startdrempel. Nieuwe leden zijn dus zeer welkom. De elf hectare van Hammink is voor ons nu nog te groot. Maar de familie Hammink komt ons echt tegemoet en verpacht ons eerst 2 hectare. Wanneer we groeien kunnen we meer land bij pachten.” Jan Hammink: “Als je samen iets nieuws van de grond wilt krijgen, moet je elkaar een beetje tegemoet komen.”

Zo word je Herenboer

Altijd al Herenboer willen worden? Dit is je kans! Met een eenmalige inleg van €2500,- ben je mede-eigenaar van Herenboerderij ‘t Maatje. Het is geld op naam, dus je kunt je aandeel eventueel t.z.t. aan een ander verkopen. Maar dat kan pas na drie jaar. Verder betaal je een contributie, afhankelijk van hoeveel monden je wilt laten mee-eten, van €11,- tot €15,- per week. Die contributie geeft je recht op een wekelijkse krat met verantwoord, biologisch voedsel van eigen land. Karin: “We hebben het uitgerekend en dat komt ongeveer overeen met de kosten die je anders in een week kwijt bent voor biologisch voedsel.”

Dorinde vult aan: “We weten dat het inleggeld voor mensen met een smalle beurs een probleem is. Maar ook voor hen willen we mogelijkheden ontwikkelen om mee te doen. Daar werken we aan in onze speciale werkgroep ‘de smalle beurs.’ Iedereen die wil, moet kunnen aansluiten. Het is zo leuk om deel te zijn van deze groep, om samen te werken op het land. Dat gemeenschapsgevoel gun je iedereen.” Nieuwsgierig? Elke laatste zondagochtend van de maand is er een rondleiding op de boerderij.


Walnotengaard ‘In de Notendop’

Toos Lenderink

In het najaar van 2021 begon Anita Wentink met de aanleg van een walnotenboomgaard aan de Lankerseweg, tussen Halle en de Nijman. Nu haar kinderen ouder worden, zocht ze een  project met diepgang en toekomst en vooral: buiten.

Met hulp van haar vader werd de aankoop van vijf hectare grond mogelijk. Grond behoudt zijn waarde, dus de boomgaard is niet alleen een passieproject, maar ook een investering. Vijfentwintig jaar geleden tijdens een verblijf in Nieuw-Zeeland raakte ze onder de indruk van de kiwiteelt daar. Dat leek haar ook wel wat, maar het Nederlandse klimaat is minder geschikt voor kiwi’s. De grote walnotenboom bij haar ouders in Gendringen bracht haar uiteindelijk op het idee voor een walnotengaard.

De teelt van walnoten is nog relatief onbekend terrein. Anita moest veel zelf ontdekken. “Google was mijn grote vriend”, vertelt ze. Ze houdt alles nauwkeurig bij in Excel-bestanden en pioniert er lustig op los. Als echte boerendochter staat ze met beide benen op de grond en doet ze er alles aan om de bomen in optimale conditie te houden. De bodem werd verrijkt met kalk, diep gewoeld en de sloten rondom worden goed onderhouden.

Er is een kruidenrijke akkerrand ingezaaid en er liggen verspreid takkenbosjes voor de biodiversiteit en belangrijk voor de fauna. Dit biedt nestgelegenheid voor allerlei dieren, waardoor er een mooi en gevarieerd landschap ontstaat. “Ik ben niet alleen op de wereld voor mijn eigen dingen”, zegt Anita. Elke keer opnieuw geniet ze van de fietstocht vanuit haar woonplaats Zelhem naar de boomgaard.

Met meer dan vijf hectare grond is Anita officieel ondernemer en krijgt ze te maken met allerlei regelgeving, bijvoorbeeld rondom mestgebruik. Ook voor de verkoop van noten gelden strikte eisen. Daarom richt ze zich voorlopig op de verkoop van hele walnoten. Mogelijke verwerking (maken van walnootolie of likeur), laat ze nog aan anderen over. Ze heeft haar handen al vol aan haar gezin en deze 300 bomen van 25 verschillende rassen.

Vorig jaar zijn in mei de kleine nootjes verwijderd, zodat de energie naar de groei van de bomen kon gaan. In 2026 gaat er echt geoogst worden, al zal de opbrengst nog beperkt zijn. Daarna worden de noten gewassen. In sommige landen worden ze zelfs gebleekt voor een mooier uiterlijk. Daarna gaan ze direct de droogmachine in. Anita heeft een kleine droger aangeschaft om ervaring mee op te doen.

Vervolgens worden de noten gekalibreerd: gesorteerd op grootte voor het kraakproces. Elk ras kraakt anders. Ook is er verschil in smaak, grootte, oliegehalte en de manier waarop de noot in de dop ligt. Na het sorteren worden de noten afgewogen, in netten gehangen en opgeslagen bij maximaal 15 graden om schimmelvorming te voorkomen. Klaar voor de verkoop!

Al met al is dit een traject van de lange adem. De kinderen gaan vaak mee naar het Notenbos, waar een pipowagen staat die ook dienstdoet als vakantiehuisje. Daar hebben ze een goede buur aan Johan. Als echte naober geniet hij van de gezelligheid en de reuring die het Notenbos met zich meebrengt.

Voor meer informatie kijk op www.indenotendop.nl.

Walnoten bevatten veel gezonde onverzadigde vetten, plantaardige eiwitten, vitamines en mineralen


Lente op de volkstuin: gezonde voeding uit de grond

Frans Derksen over biologische teelt, bodemleven en vergeten groenten

Joop Helmink

Met de lente in aantocht komt ook de volkstuin weer volop tot leven. Aan het Voorbroek, in het buitengebied van de Gaanderse Hei, werkt Frans Derksen uit Terborg al decennialang met hart en ziel in zijn volkstuin. Voor hem is tuinieren geen hobby, maar een manier van leven en een directe bron van gezonde, pure voeding. Zijn tuin laat zien dat goede voeding begint bij een gezonde bodem.

Volgens Frans begint dat al in de winter. De bodem zoveel mogelijk bedekt laten is daarbij belangrijk. Door de tuin in de winter niet ‘schoon’ te maken, maar blad, plantenresten en bodembedekkers te laten liggen, vinden de insecten er een schuilplaats, het bodemleven blijft actief en uitdroging en verharding van de grond wordt tegengegaan.

Biologisch als bewuste keuze

Frans tuiniert volledig biologisch. Hij gebruikt geen chemische meststoffen en geen kunstmatige voedingsmiddelen. Zijn aanpak is gericht op het opbouwen van een gezonde, levende bodem, waarin wormen, schimmels en micro-organismen een belangrijke rol spelen. Volgens Frans proef je dat direct terug in de kwaliteit van de groenten.

Biologisch werken vraagt om geduld en aandacht. Het betekent ook dat je meer moet kijken, voelen en bijsturen. Experimenteren hoort daarbij. Soms pakt een teelt uitstekend uit, soms valt een oogst tegen. Voor Frans is dat geen reden om het anders te doen. Elke ervaring levert nieuwe kennis op, die hij het volgende seizoen weer meeneemt.

Bodem centraal: werken met de woelvork

Waar veel tuinders nog steeds spitten, kiest Frans bewust voor een andere methode. Hij gebruikt een woelvork om de grond los te maken en te beluchten. Daarmee blijft de natuurlijke bodemstructuur intact en worden de verschillende bodemlagen niet door elkaar gehaald.
Deze manier van werken is niet alleen beter voor het bodemleven, maar ook rug vriendelijker. De grond blijft luchtig, water kan beter worden opgenomen en wortels krijgen meer ruimte.

Vergeten groenten terug op tafel

Op de tuin van Frans groeien niet alleen de bekende soorten. Hij heeft bijzondere belangstelling voor zogeheten vergeten groenten, die perfect passen bij het lentethema voeding.

Palmkool is daarvan een mooi voorbeeld. Deze koolsoort werd al door de Romeinen naar deze streken gebracht, maar raakte later in de vergetelheid. Tegenwoordig wordt palmkool weer herontdekt vanwege zijn stevige structuur, rijke smaak en voedingswaarde.

Ook pastinaak en wortelpeterselie hebben bij Frans een vaste plek. Het zijn groenten die vroeger heel gewoon waren in de Nederlandse keuken, maar die later naar de achtergrond verdwenen. Mits goed bereid, zijn ze verrassend veelzijdig. Steeltjes, wie kent ze niet, horen daar volgens Frans onlosmakelijk bij. Zoals hij het zelf zegt:
“Wat vrogger heel gewoon was, is now weer gold weerd.”

Vergeten groenten – met korte kooktips

Oud, maar verrassend modern.
Steeds meer tuinders en koks herontdekken vergeten groenten. Ze zijn vaak smaakvol, voedzaam en passen perfect in een seizoenskeuken.

Palmkool
Tip: roerbak met knoflook en olijfolie
Lekker in pasta, stamppot of als chips uit de oven

Pastinaak
Tip: snijd in frietjes en rooster in de oven
Ook heerlijk in soep of als puree

Wortelpeterselie
Tip: combineer met wortel en ui in stoofgerechten
Geeft extra diepte aan bouillon en soepen

Steeltjes
Tip: kort koken of wokken met ei en nootmuskaat
Klassiek als stamppot of door een voorjaarsomelet


Trots op de vendeliers van buurtvereniging Slangenburg

Harry Krul

Trots is eigenlijk de beste omschrijving voor hoe de mensen van buurtvereniging Slangenburg praten over ‘hun vendeliers.’ Tijdens een bezoek aan commandant Bennie Arendsen en oudgediende Herman Lettink wordt dat al gauw duidelijk. Want waar er in de begintijd slechts één vendelier was, bestaat de groep momenteel – inclusief de muzikanten – uit maar liefst vijftien personen! En dat zijn echt niet alleen ouderen; er zijn er zelfs vier van rond de twintig jaar.

Het interview vindt plaats op de geboortegrond van de vendeliers, want de opa van Irma (de vrouw van Bennie) was Bernard Wennink. Hij begon in 1932 met vendelzwaaien tijdens de kermis in de Slangenburg, bij café De Wiemelink. Omdat de kermis na de oorlog regelmatig ontaardde in vechtpartijen (veelal door dronken Doetinchemmers), is de kermis in 1957 opgeheven.

Pas in 1971 werd buurtvereniging Slangenburg opgericht. Een van de activiteiten van de vereniging was het nieuw leven inblazen van de vendeliersgroep. Bernard Wennink, Roel van Kooten, Gerard Keurentjes, Tonnie Engelberts en Wim Anneveldt gaven de aanzet tot de oprichting van de buurtvereniging. In het begin was Bernard Wennink de enige vendelier. Zo verzorgde hij het ‘zwaaien’ bij Zaal De Veldhoen in Langerak, bij kermissen en dergelijke, op muziek van de aanwezige muzikant die dan de vaandelwals speelde. Bernard gebruikte het vaandel dat in 1932 gemaakt was en dat hij thuis had staan. Hij trad graag op bij ’t Onland. Als daar een feest was en Siebelink verzorgde de muziek, kwam Bernard; hij hoefde zijn hand maar op te steken of de vaandelwals werd ingezet. Bernard zei altijd: “Eén borrel vooraf en dan gaan we zwaaien.” Dat werden er weleens meer, want: “Op één been kun je niet zwaaien.”

Begin jaren zeventig kwamen Herman Meijer en Henk Bongers erbij als vendeliers. Bernard had dat slim aangepakt: hij vroeg eerst Henk, die zei: “Ik wil alleen als Herman het ook doet.” En tot zijn verbazing wilde Herman wel, dus kon Henk geen nee meer zeggen! Op dat moment was Bernard commandant en waren Herman en Henk de vendeliers. Een commandant zwaait niet, maar geeft de orders en doet het praatje voor het bruidspaar of de jarige.

Hoe kwamen ze aan de vaandels?
Leo Smits beschilderde het doek aan twee kanten. Wim Anneveldt maakte de vaandelstokken en Bennie Bannink vervaardigde het koperbeslag: de onderbol met het contragewicht van lood en het bovenknopje. De stok met beslag, contragewicht en doek is behoorlijk zwaar. Hij moet ongeveer halverwege de stok eenvoudig op de hand in evenwicht gehouden kunnen worden – dan is hij goed. De vaandelstok van de dames is iets korter en lichter dan die van de heren. Iedere vendelier heeft zijn eigen vlag.

Het zwaaien gebeurt met zogenaamde slagen: er zijn zes slagen van laag naar hoog, en van linksom naar rechtsom. De rugslagen zijn het zwaarst, zo heb ik begrepen. Voor een voorstelling van zo’n zes minuten moet regelmatig worden geoefend, waarbij degene die voor je staat het tempo aangeeft. Elke derde dinsdagavond van de maand wordt er geoefend bij ’t Onland. Voor beginners worden bezemstelen gekocht, waarmee men eerst flink moet oefenen!

Het zwaaien gebeurt tijdens het buurtfeest zelfs drie dagen achter elkaar: voor de maker van de vogel, bij het opzetten van de vogel, voor de nieuwe koning en bij ’t Onland voor alle prijswinnaars. De laatste zwaaibeurt vond plaats op de 100e verjaardag van Gerda Heurnink.

In de jaren tachtig werd de vendeliersgroep ook uitgebreid met vrouwen. De buurvrouwen hebben toen vaandels geborduurd. Aan de éne kant stond kasteel Slangenburg, aan de andere kant ‘Eendracht maakt macht’. Ook moesten er uniformen komen; daarvoor ging men naar Seezo in Keijenborg.

Op een gegeven moment stopte vrijwel de hele groep, maar kwamen er jongeren voor in de plaats. Zij waren tijdens het buurtfeest enthousiast gemaakt.

De huidige vendeliersgroep bestaat uit vijftien personen: één commandant, drie muzikanten, vijf heren en zes dames die zwaaien. De muziek bestaat uit twee accordeons en één harmonica (trekzak).

Omdat er meer vrouwen bij kwamen, heeft de buurt nieuwe vaandels laten maken. Deze worden in Polen op satijn gedrukt. Het koperwerk van de stokken is duurder dan het bedrukte doek! Omdat er drie nieuwe dames en twee nieuwe heren (allemaal jongeren van rond de twintig jaar) gingen zwaaien, liet men weer nieuwe damesvlaggen maken. Herenvlaggen waren er nog genoeg. De stokken zijn in Silvolde met koper beslagen voor goed houvast – en het staat ook nog mooi!

Commandant Bennie is bijzonder blij met de huidige groep: een mooie mix van jong en oud (van 19 tot 64 jaar), mannen en vrouwen. Hij wil zelf nog een poos doorgaan en vond opa Bernards commandantspet altijd prachtig. Maar die pet én de commandantstok zijn helaas verloren gegaan tijdens de brand bij Bennie Vossers. Sinds kort heeft Bennie een nieuwe, koperbeslagen commandantstok van 90 cm, waarop hij heel trots is.

Volgend jaar, bij het 55-jarig bestaan van de buurtvereniging, zullen de vendeliers zeker weer zwaaien – onder leiding van Bennie.

In de jaren tachtig zijn deze door buurvrouwen geborduurd.


Untitled

Een sprookjeshuwelijk op kasteel Slangenburg

Toos Lenderink

Wanneer ik op bezoek ben bij Bram Maandag en Marijn Hilferink, word ik getrakteerd op een filmpje van hun trouwdag. Het lijkt wel een sprookje.

In de zomer van vorig jaar vroeg Bram tijdens zonsondergang op de Via dell’Amore (Cinque Terre, Italië) Marijn ten huwelijk. Hun zonen Pepijn (12) en Lars (9) waren hiervan getuige. Het antwoord was natuurlijk “ja”, en de locatie was direct duidelijk: kasteel Slangenburg, want daar voelen wij ons thuis. “We komen daar zo vaak – wandelen met de hond, hardlopen of koffie drinken. Het voelt bijna als onze voortuin.” Voor deze speciale dag op 12 september, huurden ze kasteel Slangenburg en het omliggende terrein af. Karen, de manager van het Koetshuis, begeleidde hen in de voorbereiding en samen maakten ze een heel draaiboek.

Vrijgezellenfeesten en voorbereiding

Vooraf vierden ze allebei hun eigen vrijgezellenfeest. “Zo bijzonder dat je vriendinnen en zussen dat speciaal voor jou organiseren. Het voelde als een warm bad”, aldus Marijn.

De ambtenaar van de gemeente Doetinchem, die het huwelijk zou gaan voltrekken, kwam langs en had ook een gesprek met de kinderen: “Wie zijn jullie vader en moeder?” Marijn maakte zelf haar bruidsboeket en bijpassende tafelversieringen.

De huwelijksdag

De ceremonie was in de trouwzaal van het kasteel. In het bijzijn van ouders en naasten spraken Bram en Marijn hun geloften uit: “Wij beloven elkaar te ondersteunen – we zijn samen een team.” Juist als je al langer samenwoont en heftige dingen hebt meegemaakt, heeft dit een diepe betekenis. Het was dan ook een emotionele gebeurtenis.

Daarna werd de trouwtaart aangesneden in het Koetshuis en op de binnenplaats werd er geproost met champagne en volgenden de eerste speeches. Terwijl het bruidspaar op het kasteelterrein werd gefotografeerd, kregen de gasten een rondleiding door het kasteel.

Tijdens de borrel in de boomgaard was er tijd voor nog meer speeches en een gezellig samenzijn onder de stralende nazomerzon.

Het diner vond plaats aan prachtig gedekte tafels in het Koetshuis. Bij mooi weer kan dit ook buiten in de boomgaard.

De feestelijke afsluiting

’s Avonds bracht een bus het hele gezelschap voor het avondfeest naar de DRU in Ulft. Na een speech en openingsdans ging het feest los en werd er afgesloten met groot vuurwerk.

Na afloop bracht de bus de gasten terug naar huis. De jongens gingen logeren bij opa en oma, terwijl Bram en Marijn hun huwelijksnacht doorbrachten in één van de kasteelhuisjes.

De volgende dag ging de trouwjurk opgerold in de handbagage mee op huwelijksreis naar Ibiza. Bram wilde vooraf heel graag Marijn een prinsessengevoel geven. En dat is hem meer dan gelukt!


‘Oogjes dicht en snaveltjes toe’

Deze uil van houtsnijwerk is gemaakt op Zorgboerderij Slangenburg

Gert Jan van de ‘Brouwer’

De senioren onder ons kennen deze uitdrukking nog van meneer de Uil uit de Fabeltjeskrant. ‘De wijze uil’ is bij uitstek een nachtvogel, deze jager wordt actief zodra wij ‘een uiltje knappen’. Er zijn veel uitdrukkingen over deze vogels die we ’s avonds of ‘s nachts horen maar zelden zien. Of ze allemaal kloppen? Feit is dat er meerdere soorten uilen in de Slangenburg voorkomen. 

De trend van de zes voorkomende uilen in Nederland en rondom de Slangenburg is als volgt: Het gaat goed met de bosuil en de kerkuil, maar de steenuil en ransuil nemen helaas in aantal af. De velduil, die hier niet voorkomt, wordt ook zeldzamer. Maar de oehoe, die af en toe even komt buurten, neemt toe in aantal.

‘Elke wijze uil begon als uilskuiken’, maar het kuiken moet wel groot worden en daar zijn bij vooral de kerkuil veel muizen voor nodig: iets anders eten ze niet. De bos- en steenuil eten gevarieerder maar zijn op hun beurt weer prooi voor marters en haviken.

De uil staat niet altijd goed bekend. Iemand kan uitgemaakt worden voor ‘een domme uil’ of ‘met trots een uilskuiken’ zijn en kan zelfs (bij het Slangenburgse buurtfeest) ‘zo dronken als een uil’ zijn. Anderen zien een uil als een slim dier. Feit is dat een uil niet slimmer of dommer is dan andere vogels. Wel horen ze bijzonder goed en kunnen ze ’s nachts zeer goed zien. Daarop mag het ‘zo trots als een uil’ zijn.

Wat baten kaars en bril, als de uil niet zien wil.’ Dit betekent zoveel dat als iemand niet wil luisteren, het ook geen zin heeft deze te overtuigen. Het heeft mede daardoor ook geen zin om overdag uilen te zoeken- uilen zijn immers nachtdieren. Ze zijn vooral op het gehoor waar te nemen.

Ook geldt: ‘Bij wolven en uilen leert men huilen’, wat betekent dat je je moet aanpassen aan je omgeving om te overleven of succes te hebben. Ook uilen moet je zoeken waar ze voorkomen. Op een mooie winteravond tussen oktober en januari kun je tijdens een wandeling in de Slangenburg de bosuilen horen. Het spookachtige hoe-hoe-hoeeee van het mannetje en het ke-wik van het vrouwtje. Geoefende oren herkennen in het vroege voorjaar ook de ransuil en zelfs sporadisch de oehoe in en rond het bos. Afgelopen voorjaar hoorden wij meerdere nachten de roep van een mannetjes oehoe en dit najaar zat er zelfs eentje ‘s morgensvroeg eigenwijs op onze oprit.

Rondom de Slangenburg maken de steenuilen meer geluiden maar kiew-kiew is het luidst. Ze roepen in het voorjaar, zowel ’s nachts als overdag. Het geluid van de kerkuil in het boerenland is meer een spookachtig gekrijs en geblaas tijdens de paartijd in het voorjaar.

Maar zoals je weet ‘Elk uiltje zingt zoals het gebekt is.’