‘Oogjes dicht en snaveltjes toe’

Deze uil van houtsnijwerk is gemaakt op Zorgboerderij Slangenburg

Gert Jan van de ‘Brouwer’

De senioren onder ons kennen deze uitdrukking nog van meneer de Uil uit de Fabeltjeskrant. ‘De wijze uil’ is bij uitstek een nachtvogel, deze jager wordt actief zodra wij ‘een uiltje knappen’. Er zijn veel uitdrukkingen over deze vogels die we ’s avonds of ‘s nachts horen maar zelden zien. Of ze allemaal kloppen? Feit is dat er meerdere soorten uilen in de Slangenburg voorkomen. 

De trend van de zes voorkomende uilen in Nederland en rondom de Slangenburg is als volgt: Het gaat goed met de bosuil en de kerkuil, maar de steenuil en ransuil nemen helaas in aantal af. De velduil, die hier niet voorkomt, wordt ook zeldzamer. Maar de oehoe, die af en toe even komt buurten, neemt toe in aantal.

‘Elke wijze uil begon als uilskuiken’, maar het kuiken moet wel groot worden en daar zijn bij vooral de kerkuil veel muizen voor nodig: iets anders eten ze niet. De bos- en steenuil eten gevarieerder maar zijn op hun beurt weer prooi voor marters en haviken.

De uil staat niet altijd goed bekend. Iemand kan uitgemaakt worden voor ‘een domme uil’ of ‘met trots een uilskuiken’ zijn en kan zelfs (bij het Slangenburgse buurtfeest) ‘zo dronken als een uil’ zijn. Anderen zien een uil als een slim dier. Feit is dat een uil niet slimmer of dommer is dan andere vogels. Wel horen ze bijzonder goed en kunnen ze ’s nachts zeer goed zien. Daarop mag het ‘zo trots als een uil’ zijn.

Wat baten kaars en bril, als de uil niet zien wil.’ Dit betekent zoveel dat als iemand niet wil luisteren, het ook geen zin heeft deze te overtuigen. Het heeft mede daardoor ook geen zin om overdag uilen te zoeken- uilen zijn immers nachtdieren. Ze zijn vooral op het gehoor waar te nemen.

Ook geldt: ‘Bij wolven en uilen leert men huilen’, wat betekent dat je je moet aanpassen aan je omgeving om te overleven of succes te hebben. Ook uilen moet je zoeken waar ze voorkomen. Op een mooie winteravond tussen oktober en januari kun je tijdens een wandeling in de Slangenburg de bosuilen horen. Het spookachtige hoe-hoe-hoeeee van het mannetje en het ke-wik van het vrouwtje. Geoefende oren herkennen in het vroege voorjaar ook de ransuil en zelfs sporadisch de oehoe in en rond het bos. Afgelopen voorjaar hoorden wij meerdere nachten de roep van een mannetjes oehoe en dit najaar zat er zelfs eentje ‘s morgensvroeg eigenwijs op onze oprit.

Rondom de Slangenburg maken de steenuilen meer geluiden maar kiew-kiew is het luidst. Ze roepen in het voorjaar, zowel ’s nachts als overdag. Het geluid van de kerkuil in het boerenland is meer een spookachtig gekrijs en geblaas tijdens de paartijd in het voorjaar.

Maar zoals je weet ‘Elk uiltje zingt zoals het gebekt is.’