Marcel Bos, kunstfotograaf van moderne architectuur
Anneke Zwager
Op een mooie plek in Gaanderen, naast de stuw in de Bielheimerbeek, woont Marcel Bos met zijn vrouw Marian. Ze zijn actief en trekken er samen vaak op uit. En natuurlijk gaat de camera dan mee. Marcel legt de natuur en de leefomgeving vast, maar de laatste jaren richt hij zich vooral op moderne architectuur. Daar ligt zijn kracht en daarmee krijgt hij steeds meer bekendheid. Zo zijn zijn architectuurfoto’s in 2024 geëxposeerd in Galerie Zelhem.
Het begon met een voetbalvriend die een donkere kamer had en zijn foto’s zelf ontwikkelde en afdrukte. Door hem te helpen en de gesprekken daarbij kreeg Marcel steeds meer oog voor de mogelijkheden van fotografie. Jarenlang maakte hij als leraar op een basisschool foto’s en filmpjes van feestjes en uitstapjes met de leerlingen. De positieve reacties stimuleerden hem om zich daar verder in te bekwamen. Hij volgde een cursus bij Ton van Vliet in Terborg en later sloot hij zich aan bij Fotoclub Oostgelre.
Pas nadat hij was gestopt met zijn onderwijsbaan kwam er vaart in zijn ontwikkeling. Bijna elke week doorkruiste Marcel een stad en fotografeerde markante gebouwen. Inmiddels heeft hij in veel steden gebouwen vastgelegd. Zijn uitgebreide fotoarchief getuigt daarvan. Hij valt op moderne architectuur, gebouwen die vanuit een heldere visie zijn gebouwd. Vaak zijn dat gebouwen met een publieke functie zoals een station of een ziekenhuis, maar ook bedrijfsgebouwen of woningen. Tevoren heeft hij informatie ingewonnen over het gebouw en eventueel toestemming geregeld om ook binnen te kunnen fotograferen.
Het resultaat is verbluffend. Heldere lijnen, een strakke ritmiek, boeiende structuren en spiegelingen kenmerken zijn foto’s. Marcel fotografeert op een geheel eigen manier, bijvoorbeeld door details van een gebouw uit te lichten. Alles wat niet relevant is, laat hij weg. Vaak moet je goed kijken om de gebouwen te herkennen. Soms zijn het bijna abstracte beelden. Op zijn foto’s komen bijna geen mensen voor. Zijn motto is ‘Less is more’. De foto’s doen minimalistisch aan.
Het bewerken van foto’s is niet aan hem besteed. “Het is wat het is”, zegt hij daar over. Het moet gewoon in één keer goed zijn. De compositie is voor hem het meest bepalend. Hij zal niet een kwartier wachten op de juiste wolk of het mooiste licht. Marcel is wat je noemt een snelle fotograaf.
Denk nu niet dat Marcel dure apparatuur heeft. “Je moet er oog voor hebben”, zegt hij, “dat is belangrijker dan welke apparatuur ook. En dat oog moet je trainen, dus veel fotograferen en daar goed over nadenken. Wat wil ik laten zien, wat vind ik echt boeiend? En daar zit een ontwikkeling in. Het gaat mij om de kracht van de eenvoud.” Zijn stijl is in de afgelopen jaren strakker en abstracter geworden.
Sinds een jaar maakt hij deel uit van Fotoclub ‘De Trefkuul’ in Gaanderen. Foto’s van elkaar bekijken, samen fotograferen en ervaringen uitwisselen, daar wordt iedereen beter van. Want je ontwikkeling gaat door. Wie weet waar Marcel over vijf jaar staat.
Op een zonnige vrijdagmiddag in september bezochten negenentwintig leden van onze Stichting, Zorgboerderij Slangenburg aan de Kommendijk. We werden hartelijk en gastvrij ontvangen door Falco, de directeur, die met hart en ziel vertelde over deze onderneming. Belangrijk bij dit sociale ondernemerschap is: zoveel mogelijk doen met de beschikbare middelen, voor de mensen om wie het draait – en dat alles op een plek waar zorgvuldig wordt omgegaan met gemeenschapsgeld. We kregen een uitgebreide rondleiding over het terrein, begeleid door Falco’s bezielende verhaal.
*In de moestuin wordt gewerkt onder begeleiding van diverse vakkrachten.
* Sinds kort verzorgt de zorgboerderij ook maaltijden voor de broeders en bezoekers van de abdij. Daarbij wordt er gebruik gemaakt van verse producten uit de eigen moestuin.
* Daarnaast wordt er hovenierswerk, stratenmakerij en zwerfvuilbeheer gedaan voor BUHA Doetinchem, door teams van betaalde vakkrachten samen met cliënten van de zorgboerderij.
* De natuurcamping Distelheide valt ook onder beheer van zorgboerderij Slangenburg.
*In de houtwerkplaats kun je prachtige dingen laten maken, zoals degelijke tuinbanken.
GroenteBuur, een nieuw en uniek maatschappelijk initiatief
Nieuw is het initiatief GroenteBuur. Samen met deelnemers van Stichting Zorgboerderij Slangenburg telen tuinders op een natuur inclusieve en pesticidevrije manier een grote verscheidenheid aan groenten, fruit en kruiden.
Afgelopen jaar werden er maar liefst drieënzestig verschillende gewassen verbouwd. Door de diversiteit aan gewassoorten is de kans op ziekten beperkter. Daardoor is de continuïteit in de oogst beduidend groter.
Hoe werkt GroenteBuur?
Als klant met een zelfplukabonnement bij GroenteBuur, word je oogstdeler. De zorgboerderij geeft namelijk eenzelfde abonnement gratis weg aan een noaber voor wie vers voedsel geen vanzelfsprekendheid is. De verse oogsten gaan naar Voedselbank Doetinchem en Mini Mannamarkt. Je mag als klant wekelijks zelf komen oogsten vanaf het moment dat je start met je abonnement. Dit loopt tot en met het einde van het moestuinseizoen in november. De sfeer bij de moestuin is hartverwarmend en de medewerkers en vrijwilligers van de boerderij geven de klanten informatie en ondersteuning bij het oogsten.
Net als tijdens onze rondleiding ervaren bezoekers ook dan weer die enorme gastvrijheid.
Wil je meer weten over zorgboerderij Slangenburg en GroenteBuur:
Ze vertelt: “Honderd, dat wödt ow egeven. ’t Is gien verdienste of zo.” Ze hef ’n hele mooie verjaordag ehad. De buur’n hadden ’t mooi versierd en d’r was de hele dag anloop. Behalve völle bloemen en kaarten kri’g ze ok ’n brief van de secretaris van de koning. Met d’r bi-j ’n foto van koning Willem-Alexander en koningin Máxima. Groot’n indruk maakten de vaandelzwaaiers van buurtvereniging Slangenburg. Al met al ging ze ’s aoves al um 9 uur naor bedde en was met vief minuten vertrokken.
Ze is geboren an de Diepengoorsestraote, nog gin kilometer hier van de Turfweg vandan. Eur jongste zus, Marietje Tomassen, woont nog altied op ’t olderlijk huus en ze hebt geregeld contact via de telefoon. Efkus bi-j mekare op de koffie is lastig, want beiden loopt met ’n rollator en dan is de afstand toch net wat te wiet.
Toen ze 95 was, wier eur ri-jbewijs nog met vief jaor verlengd, maor op eur 97e stopte ze d’r zelf met. “’t Ging nog goed en vlot zat, maor ik begon minder goed te ziene. En i’j wilt ‘n ander niks andoen.” Ze mist ’t autori-jen wel, want now mot ze de kinder vraogen en dat vindt ze maor niks.
As kind uut ‘n katholiek gezin met negen kinder, ging ze lopes naor de katholieke schole in Dörkum. Dat was 4,5 kilometer lopen! Ze verslet in drie wekken tied ’n paar klompe. Later kreeg ze schoene, die gingen langer met. In die tied stond d’r bi-j Haank ‘n liekwagen estald. Op ’n heite woensdagmeddag liep ze toevallig allene van schole naor huus. De liekwagen met peerd d’r veur kwam läöge terug van de begraafplaats an de Loolaan. Gerda sprong achterop en zo ging ze op huus an, zittend in de wagen met de gordiene dichte en de bene d’r uut stekkend. Onderweg mossen de mensen lachen um die bungelende bene.
Wat heb i’j in de loop van 100 jaor zoal zien veranderen? “As d’r vrogger un auto langs kwam, dan kek i-j daor naor. En veur ’t strieken mos i-j eerst een gluujend heit stuk gietiezer met ’n tange uut de kachel halen en in de striekbolt doen. Dan ko’j weer ’n hötjen strieken. De was doen in ’n holten wasmachine was ok zwaor wark, want den mos i-j met de hande draejen. Later wier ’t waswater in de fornuuspot heite emaakt. En dan de was op ’t gres bleiken. In de winter kreeg i-j dikke opgelopen arme van de kelde.”
Hoe was ’t gezinslaeven vrogger? Gerda kreeg verkering met buurjonge Gerrit. Ze trouwden hier in bi-j zien moeder en ongetrouwde bruur. Ze kregen samen vier kinder. Gerda had een opleiding veur coupeuse ehad in Dörkum en de mensen brachten naejwerk bij eur an huus. Maor dat verdiende “ut zalt in de pap niet.” Later ging ze warken bi’j kledingzaak Smeenk in Zelhem as coupeuse, dat leverde wat meer op. Ok maakte ze klere veur zichzelf en de kinder. Eur man was eerst ’n lange tied ziek en stierf toen hi-j 68 jaor old was. “Ik heb ’n geweldig lieve man ehad. ’t Was wel effen heel moeilijk toen hee d’r niet meer was.”
Hoe zut ’t dagelijks laeven d’r now uut? Gerda redt zich nog heel goed zelf. Ze kan schaterlachend vertellen en zegt: “Ik sprek gin wartaal!” Eén keer in de wekke kump d’r huusholdelijke hulp. “Ik vuul mien better as ik zelf in bewaeging blief en ik hol ’t wieters un betje bi-j.” As ik muu bun, gao ik efkes in de stoel zitten met de ogen dichte.” Ze laest geerne, maor hef wel goed licht neudig en ’s aovonds kik ze tv as d’r wat moois op is. Wieter geniet ze van de familiedage, verjaordage en van lekker etten samen met familie en bekenden.
Ze liggen overal in het land in de schappen van supermarkten en speciaalzaken. Wie van een uniek, smakelijk stukje biologisch kippenvlees houdt, kent KemperKip. In zijn kantoor aan de Turfweg in IJzevoorde vertelt Herman Kemper hoe hij in veertig jaar een kleine maalderij uitbouwde tot een van de grotere ketens voor biologisch kippenvlees in ons land.
We zitten aan tafel in de fraaie nieuwe woning van Herman, pal naast de plek waar het in 1923 allemaal begon. “Mijn grootvader, een molenaarszoon uit Breedenbroek, kocht hier toen een kruidenierswinkel aan de Turfweg 22, destijds aangeduid met IJ39, met daarachter een klassieke windmolen en een bakkerij. Boeren uit de omgeving brachten hier hun graan en daar maakte hij veevoer of roggebroden van. Tijdens de stormramp van Borculo in 1925 waaiden de wieken van de molen en schakelde mijn opa over op een dieselmotor met aggregaat om het graan te malen”, vertelt Herman. De ouders van Herman, Gerrit en Henny, namen de zaak later over en bouwden die verder uit. Er verrezen een grote voorraadschuur en een graansilo. Beide zijn inmiddels weer verdwenen. Ervoor in de plaats mocht Herman drie nieuwe boerderijwoningen aan de Turfweg bouwen, waarvan hij er één zelf bewoont.
Gerrit en Henny achter de toonbank
Wanneer je over de Turfweg fietst of wandelt zie je Gerrit en Henny nog achter de toonbank staan van hun kruidenierswinkel, vereeuwigd op het winkelraam. ‘H.Th. Kemper’ vermeldt het raam, de naam van de opa waarnaar Herman is vernoemd.
Vanuit de maalderij ontwikkelde zich een handel en productiebedrijf in veevoer. Herman stapte na afronding van zijn molenaarsopleiding in 1981 in het ouderlijk bedrijf dat hij vervolgens in 1989 van zijn ouders overnam. “Ik heb toen noodgedwongen de productie van veevoer langzaam afgebouwd. Wij konden als kleine molenaar domweg niet concurreren met de grote diervoederbedrijven die toen opkwamen. Rond 1995 hebben we uiteindelijk de voerproductie stilgelegd.”
Nieuwe start in de kippen
Maar voor het zover was had Herman al een nieuwe kans gegrepen. “‘Anton Berendsen uit De Heurne bracht mij in contact met een grossier in kippenvlees die een alternatief soort kippenvlees verkocht. Hij was op zoek naar boeren die die kippen konden leveren en naar een voerleverancier. Daar zijn we toen ingesprongen. Eerst maakten we het kippenvoer nog zelf, later heb ik dat uitbesteed aan anderen. Ik ging ook boeren werven die de speciale kippen wilden opfokken. Gaandeweg bleek het steeds lastiger om in Nederland aan geschikte kippen te komen. Toen ben ik zelf in het buitenland op zoek gegaan naar een geschikt ras. In 1990 startte ik met de import van eendagskuikens uit Frankrijk, dat heb ik 25 jaar gedaan. Nu zijn die rassen inmiddels ook verkrijgbaar in ons land.”
Aankoop van een slachterij
De volgende stap in de ontwikkeling van het bedrijf diende zich aan toen de grossier vroeg of Herman de kippen niet levend, maar geslacht kon aanleveren. Dat bleek nog niet zo eenvoudig, want de bijzondere kippen passen niet op de geautomatiseerde slachtlijnen van de grote slachterijen. Het zijn langzaam groeiende kippen met andere maten en een andere bouw dan de gangbare slachtkippen. Herman: “Uiteindelijk vond ik een kleine ambachtelijke slachterij in Uden in Brabant waar nog grotendeels handmatig wordt geslacht, die kon onze kip wel verwerken. In 1998 hebben we de slachterij toen die te koop kwam, overgenomen.”
Regisseur van de hele keten
Het doel van Herman was vanaf het begin, om de hele keten in handen te krijgen. Toen de grossier aan wie hij het kippenvlees leverde failliet ging, hoefde Herman niet lang na te denken om ook die laatste stap te zetten. Rond 1994 besloot hij het eindproduct zelf te gaan verkopen. De merknaam ‘Kemper Landhoen’ deed haar intrede.
Inmiddels is KemperKip een van de grotere leveranciers van biologisch kippenvlees in ons land. Bij de Plus supermarkten, Ekoplaza, speciaalzaken en sinds een paar jaar ook in een eigen winkel in Zelhem zijn de producten van KemperKip verkrijgbaar. Herman: “Onze kip is aanmerkelijk duurder dan gangbaar kippenvlees, maar het is dan ook ander vlees, diervriendelijker en biologisch. Het is ook steviger en smakelijker. Dat komt omdat de kippen langzaam groeien en veel meer bewegingsruimte hebben. Bij ons hebben de kippen in de stal twee keer zoveel ruimte als in een normale stal, bovendien groeien ze tweemaal zo langzaam en leven dus tweemaal zo lang. Dat betekent dat ik in dezelfde stal per jaar vier keer minder kippen kan produceren dan een gangbaar bedrijf. Daarnaast moet ik per kip vier vierkante meter vrije uitloop hebben. Ook het biologische voer en het ambachtelijke slachtproces zijn duurder.”
Het unieke KemperKip-concept floreert. En de toekomst lijkt verzekerd nu de vierde generatie Kemper zich klaarmaakt om het bedrijf voort te zetten. Joris Kemper, de oudste zoon van Herman is inmiddels commercieel manager van KemperKip.
‘Kemperland’
Van ééndagskuiken tot eindproduct in het winkelschap, na veertig jaar omvat KemperKip de hele keten. En nog is het verhaal van Herman niet klaar want sinds drie jaar is hij ook zelf kippenboer. Tussen Doetinchem en Wehl kocht hij acht jaar geleden een melkveebedrijf van 30 hectare om daar het oude plan voor park ‘Kemperland’ te realiseren. Verspreid over die 30 hectare komen meerdere unieke ronde kippenstallen te staan die Herman zelf ontwikkelde. Drie staan er al. Elke stal herbergt 4250 kippen. Tussen de stallen en de uitloopweiden voor de kippen komen beplanting en wandelpaden voor bezoekers. Twee stallen worden zichtstallen. Via een tunnel kom je daar in het midden van de ronde stal, waar je achter glas van heel dichtbij de kuikens en kippen kunt zien scharrelen. Herman: “Ik hoop binnen twee jaar Kemperland officieel te openen, dan kan iedereen, op afspraak, met eigen ogen komen bekijken waar zijn lekkere stukje biologisch kippenvlees vandaan komt.”
De kans om gebeten of gestoken te worden in en om de Slangenburg is groot! Nee, niet door wilde dieren, maar door insecten die op ons bloed uit zijn. Voor hen is het van levensbelang voor de voortplanting. Hoe kunnen we ons beschermen tegen deze bloeddorstige monsters?
Muggen kennen we allemaal. In een nat jaar zijn er veel, omdat ze zich voortplanten in stilstaand water. Door de droogte valt het dit jaar mee. De steekmug is de bekendste. Ze steekt met haar naaldvormige monddelen, vooral tegen de avond wanneer de zon verdwenen is. Maar bij donker en vochtig weer ook wel overdag.
Als IVN natuurgids begeleiden we soms studenten van de Pabo Iselinge. Korte broekjes, blote schouders en onweerstaanbare geurtjes: onze toekomstige onderwijzers zijn voor de muggen ‘happy hour’. De studenten hebben in ieder geval iets (op)gestoken. Sinds enkele jaren is er in Nederland ook kans op een ontmoeting met de exotische Aziatische tijgermug. Deze kleine, zwart-witte mug kan in warmere gebieden ziektes overbrengen.
Een beestje dat wel van droogte houdt, is de teek. Dit jaar zijn ze veelvuldig in grasland en lage bosjes aanwezig. Zelfs bij onkruid wieden in de tuin kun je een tekenbeet oplopen. Teken kunnen onder andere de ziekte van Lyme overbrengen. Snel verwijderen is de beste oplossing en houd daarna de gebeten plek goed in de gaten om te zien of er een kring om de beet ontstaat. Ook huisdieren en zelfs vogels kunnen last hebben van teken.
Dan zijn er de dazen, in het dialect ‘blinden’, maar ook wel paardenvliegen genoemd. In de Slangenburg en het omliggende agrarische gebied komen deze vervelende bijters in meerdere soorten voor. Hun beet is pijnlijker dan die van een mug en kan meer ongemak veroorzaken door zwelling of een allergische reactie. Zelfs door dunne kleding heen kan dit insect je bijten. Ze reageren sterk op geuren en warmte: een zwetend lichaam trekt ze juist aan. Bij paardenhouders zie je vaak de typische dazenval die bestaat uit een bewegende bal met daarboven een vangnet.
Als laatste noem ik de wespen met de hieraan verwante Europese hoornaars. Wespen bijten niet, maar steken met een angel, net als bijen. Er is nog een groot verschil omdat wespen geen bloed van mensen of dieren nodig hebben om zich te voeden. Muggen, teken en dazen hebben eiwitrijk bloed nodig om zich voort te planten. Een wesp steekt alleen als hij zich bedreigd voelt. Wespen en hoornaars eten van alles: vruchten voor de suikers en insecten voor de eiwitten. Eigenlijk zijn het ‘nuttige’ afvalopruimers. Alleen de locatie van hun nest kan voor overlast zorgen. En net als bij de muggen is er nu ook een agressieve invasieve exoot bijgekomen namelijk de Aziatische hoornaar. In Doetinchem is vorig jaar al een nest geruimd. De bijenvereniging is hier alert op omdat deze exoot bijenvolken kan uitroeien.
Wat kunnen we doen tegen deze bijters en stekers?
Ten eerste voorkomen dat je gebeten wordt door bijvoorbeeld je kledingkeuze. Een boswachter zal nooit in een korte broek, T-shirt en sandalen door het bos lopen. Ook is het verstandig om een anti insecten middel te gebruiken, zeker tegen de avond. Er zijn middelen zonder DEET, op basis van citroen- en eucalyptusextracten. DEET kan bijwerkingen veroorzaken. Het nut van een insectenwerend middel is dat het het reukvermogen van muggen, dazen en teken verstoort. Je kunt je geur ook maskeren met fijngewreven planten zoals citroenmelisse, munt, lavendel, rozemarijn en geranium. Vergeet na een wandeling niet de tekencontrole. Teken verwijder je met een tekenpen, een pincet of gewoon tussen twee nagels. De Aziatische hoornaar en de tijgermug kun je melden bij de NVWA. (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit)
Nog geen honderd jaar geleden zag je in ons buitengebied veel smederijen. Met behulp van hamer en aambeeld werden metalen gereedschappen gemaakt of gerepareerd. Boeren, loonwerkers en paardenbezitters kwamen er voor hun karrewielen, messen, nagels of hoefijzers. Tegenwoordig zijn er nog wel meerdere hoefsmeden, maar slechts een enkele ambachtelijke smid – die zich dan vooral toelegt op siervoorwerpen of hekken. Constructie- en installatiebedrijven werden de nieuwe metaalbewerkers.
Gerrie Bussink vertelt
Gerrie groeide op in Doetinchem. Haar broer Wim werkte bij Boeijink in de Heidenhoek, onder andere in de winkel. Deze Spar-levensmiddelenwinkel organiseerde op een dag een busreisje, en Gerrie mocht ook mee. Tijdens deze reis kwam ze in de kabelbaan naast Herman te zitten. Dat was het begin van een fijne relatie. “Kom mien niet an mien Herman!”
In 1962 trouwden Herman en Gerrie en ze trokken in bij zijn ouders en broer Bennie, op de hoek van de Heidenhoekweg en de Boeyinkweg. Ze woonden in het huis naast de smederij en de winkel. In deze winkel werden onder andere glaswerk, Sola-bestek, pannen, weckflessen en weckringen verkocht, maar ook kachels. Het gebeurde regelmatig dat, net als je tussen de middag aan tafel zat, ineens de winkelbel ging.
Het ijzer smeden als het heet is
Als oudste zoon volgde Herman, zoals toen gebruikelijk was, zijn vader op als smid. Hij leerde het vak van zijn vader, maar volgde ook scholing in Emmeloord, waar hij onder andere leerde lassen. Het vuur in de smederij werd gestookt met speciale kolen, waarmee temperaturen boven de 1000 graden Celsius bereikt konden worden. Boven het vuur hing een soort afzuigkap. Op maandagmorgen werden meestal paarden beslagen, dat rook altijd zo sterk! Behalve smeden en lassen werden er vanaf 1976 ook veel puntstukken gemaakt. Hiervoor moesten gaten in buizen geboord worden. Herman zijn vader haalde de bramen eraf, zodat de buizen mooi glad werden. Gerrie knipte het gaas op maat, dat Herman vervolgens strak om de buizen heen rolde en met soldeertin aan elkaar soldeerde. Het was werk dat met veel liefde werd gedaan. Smeden was mooi, maar ook zwaar werk.
In 1995 overleed Herman helaas na een jaar ziek te zijn geweest. Er was geen opvolger voor de smederij en ook de winkel ging toen dicht. Gerrie heeft uiteindelijk vierenvijftig jaar met veel plezier in de Heidenhoek gewoond.
Ze is blij dat haar oud-buurjongen Sander Velthorst er nu woont, samen met partner Janneke en hun drie dochters Fenne, Linde en Sterre.
Sander werd geboren in Zelhem, maar het gezin verhuisde al snel naar de woning naast smid Bussink. Hij zei altijd: “Dit hier is een geweldig plekje. Het spreekt voor zich dat ik hier later ook graag wil wonen”. Janneke groeide ook buitenaf op en voelt zich hier helemaal thuis. Voor de kinderen is het een waar speelparadijs achter het huis en de zolder boven de oudere smederij is ook hun domein. Als elektromonteur kan Sander de oude smederij goed gebruiken als werkplaats.
De woning, winkel en werkplaats zijn verbouwd tot een comfortabele, moderne woning. Met advies van een architect, maar grotendeels eigenhandig, met hulp van zijn broer Maarten, die timmerman is. Op zaterdagen kwamen veel vrienden helpen. Broer Maarten is inmiddels hun naaste buurman, als bewoner van het ouderlijk huis. Gerrie woont inmiddels naar tevredenheid in het dorp Zelhem. Naast het contact met haar kinderen en kleinkinderen heeft ze daar ook veel andere sociale contacten en kan daar volop van genieten. Maar bij het jaarlijkse buurtfeest in de Heidenhoek is ze nog altijd van de partij.
De wens van vroeger, een huis buitenaf met een eigen kruidentuin, is ruimschoots uitgekomen. Dat is te zien aan de prachtige kruidentuin op het terrein waar Betula is gehuisvest, aan de Lankerseweg 3a in Halle. Op eigen grond kweekt Thea van Hoof de kruiden voor haar kruidenmiddelen, waarvan de recepten zijn gebaseerd op eeuwenoude tradities. Inmiddels draagt ze haar kennis ook over via workshops en cursussen.
Achtergrond
Al van jongs af aan heeft Thea ‘iets met plantjes’ en met buiten zijn. Dat bepaalde ook haar keuze voor een landbouwgerichte opleiding. Na in aanraking te zijn gekomen met de medische wereld, switchte ze naar de studie geneeskunde in Nijmegen, waar ze ruim vijf jaar met veel interesse studeerde. Maar haar nieuwsgierigheid naar de basiskennis van oude geneeswijzen zorgde ervoor dat ze uiteindelijk koos voor een studie aan de Hogeschool voor Natuurgeneeswijzen.
Daarnaast volgde ze kruidenzomerweken en tijdens haar studententijd was ze vaak te vinden in de Ooijpolder, waar ze kruiden plukte in tuinen. Zo groeide haar kennis en liefde voor het vak. Samen met haar man vestigde de zich in Halle om daar hun wens vorm te geven. De kruidentuin was er zelfs al voordat het huis er was.
Opgeleid als natuurgeneeskundig behandelaar begon Thea kruiden te telen en geneeskrachtige kruidenmiddelen te maken. Dit doet ze inmiddels al zo’n veertig jaar, waarvan ruim acht jaar op commerciële basis.
Werkwijze
Bij het bereiden van haar kruidenmiddelen werkt Thea met verse planten. “Verse planten geven ook leven en lijken een sterkere werking te hebben”, geeft Thea aan. Dit betekent wel dat het werk in pieken en dalen komt, afhankelijk van het seizoen en de oogstmomenten. Het verwerken van de kruiden gebeurt altijd op haar locatie in Halle.
Ontwikkelingen
Ook hier heeft Corona invloed gehad. Na de coronavirus pandemie was er meer belangstelling voor hoe mensen op natuurlijke basis zelf iets konden doen om gezond te blijven of te worden.
Nederland is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitsland, veel minder gericht op kruiden en het gebruik daarvan voor de gezondheid. Ook is de wetgeving op dit gebied hier streng.
Via de webwinkel van Betula worden de producten naar zowel België als Nederland verstuurd.
Soms ontstaan er bijzondere samenwerkingen met buurtgenoten. Zo ontwikkelde Thea samen met buurtgenoot Inge van ‘De Goedgevulde’ (bekend van de scharrelvarkens) de ‘Halse huidolie.’ Ook krijgt ze verzoeken om producten met een specifieke toepassing te maken.
Cursussen en workshops
In eerste instantie had Thea niet de intentie om kruidencursussen te geven. Maar de vraag naar haar kennis bleef terug komen. Ze begon kleinschalig, maar inmiddels deelt ze nu bijna wekelijks haar kennis over kruiden en hoe daar werkzame middelen van te maken. Er is zelfs een wachtlijst voor de cursussen.
Tijdens de cursus leren deelnemers zelf de kruiden te verzamelen en daar een tinctuur of zalf van te maken.
Bijzonder daarbij is dat, door het veranderende weer, het steeds minder voorspelbaar wordt welke kruiden op een bepaald moment beschikbaar zijn. Ook hier speelt klimaatverandering dus een rol.
“Dat is de eerste vraag die iedereen ons stelt: wat betekent dat toch, De Pokkershutte?” Henk Houwers vertelt het lachend. Ook de schrijver van dit verhaal begint met die vraag. Op Google kon hij het antwoord niet vinden. “Pokker is een oud woord voor marskramer”, vertelt Henk. “Er schijnt hier vlakbij aan de Loordijk in IJzevoorde vroeger een pokker te hebben gewoond in een hutje. Vandaar.”
Ervaren bestuurder neemt afscheid
Nu is De Pokkershutte allesbehalve een hutje, maar een indrukwekkend multifunctioneel centrum. Heel bijzonder eigenlijk om dat tegen te komen in een kleine buurtschap als IJzevoorde. Het pand omvat een basisschool met vier lokalen en honderd leerlingen, een sporthal en een cultureel centrum. Maar liefst elf clubs en verenigingen maken gebruik van De Pokkershutte. Naast de basisschool varieert dat van een toneelvereniging tot volleybalvereniging, bejaardensoos en kinderopvang. Met de contributie van al die clubs beheert Stichting IJzevoorde en Omgeving het pand. Henk is sinds 2017 voorzitter van de stichting die verantwoordelijk is voor de exploitatie ervan. Onlangs heeft hij aangekondigd de voorzittershamer aan een ander over te willen dragen.
Henk: “Ik had vier jaar geleden, toen ik tachtig jaar werd, al willen stoppen, maar vanwege corona en vooral vanwege ons grote verduurzamingsproject is het er toen niet van gekomen.”
Dat verduurzamingsproject was het tweede grote wapenfeit waaraan Henk als bestuurder heeft gewerkt. Het eerste was de bestuurlijke reorganisatie die hij direct na zijn komst als voorzitter heeft opgepakt. Henk: “We hadden een bestuur van vijftien personen, dat was niet erg efficiënt. Veel te weinig slagvaardig. We hebben het toen teruggebracht naar een bestuur van vijf personen en een raad van toezicht van vijf personen. Ook de statuten hebben we toen grondig herzien. Daarmee borgen we goed bestuur, vrijwaren we bestuurders van persoonlijk risico en kunnen we sneller beslissingen nemen.”
Henk praat als een ervaren bestuurder en dat is hij ook. Naast een verantwoordelijke baan bij de arbeidsinspectie heeft hij altijd bestuurlijk werk gedaan. “Ik geloof in dit soort werk. De samenleving moet zich van onderop organiseren. Samen kunnen we dan veel moois tot stand brengen. En dat samenwerken, dat zit in deze regio in onze genen. Dat zijn we van oudsher gewend.”
Hard werken, mooi resultaat
De slagvaardigheid van het nieuwe bestuur was hard nodig toen in 2018 de renovatie en verduurzaming van De Pokkershutte werden opgepakt. Dat was een groot project waarmee veel geld was gemoeid. “Het was één van mijn zwaarste, maar ook mooiste klussen”, zegt Henk. Het was complex omdat zijn stichting het eigenaarschap van de Pokkershutte deelt met Scholengroep GelderVeste en de gemeente Doetinchem. Die laatste is eigenaar van de sporthal. Het culturele centrum is eigendom van de stichting. Het project bezorgde niet alleen Henk, maar ook zijn rechterhand Lies Ankersmit heel veel werk. Lies: “Ik ben als beheerder de enige werknemer bij stichting IJzevoorde en omgeving. Dat doe ik nu al meer dan dertig jaar met heel veel plezier.”
Lies vertelt over de renovatie: “Het was echt hard nodig. De toiletgroep was veel te klein voor de grote groepen die we hier ontvangen en bovendien oud en versleten. Ook moest er een nieuwe plek komen voor de opslag van stoelen en materialen. Maar bovendien moest het gebouw geïsoleerd worden. Dat was ten tijde van corona, toen de energieprijzen zo extreem opliepen, extra actueel.” Het gaf haar veel drukte, want ‘de winkel’ moest wel openblijven tijdens de verbouwing. En de honderdvijftig vrijwilligers die bij De Pokkershutte betrokken zijn, konden hun aanspreekpunt niet missen. “Maar het is allemaal prachtig geworden”, zegt Lies. “Ik geniet er elke dag van.”
Kandidaten kunnen zich melden.
Trots leiden Henk en Lies mij rond door het gebouw. Het is inderdaad prachtig geworden en het gonst ook op deze doordeweekse middag in het hele gebouw van de activiteiten. Eenmaal buiten aangekomen zegt Henk: “We hebben hier een ijzersterke formule in IJzevoorde. Wie interesse heeft om deze mooie taak van mij over te nemen kan zich bij mij of de raad van toezicht melden. Maar je moet ook overdag zo nu en dan wel beschikbaar zijn. Met alleen de vergaderingen voorzitten red je het niet.”
De spannende start van de Pokkershutte
“In 197 was het erop of eronder. De gemeente wilde de school sluiten. Als de voorzitter van het schoolbestuur, Jan Kuilwijk, toen niet in actie was gekomen, hadden we nu geen Pokkershutte gehad.” Dit zegt Herman Lenderink, als jonge twintiger maakte hij het hele avontuur mee.”Het is in IJzevoorde allemaal begonnen met de school. Daar werd later de huidige toneelzaal bijgebouwd die bedoeld was als gymlokaal voor de school, maar ook werd gebruikt door de toneel- en gymnastiekvereniging, de zangvereniging en de jongens- en meisjesvereniging. Deze clubs waren verenigd in een werkgroep. Ik was namens de gymnastiekvereniging lid van die werkgroep.”
Toen de toekomst van de school en daarmee de locatie op het spel stond, kwam de werkgroep onder leiding van haar nieuwe voorzitter Jan Kuilwijk in actie. Hij had vanuit zijn bedrijf contacten met het ministerie en wist dat er een subsidie bestond voor de ontwikkeling van culturele centra in dorpen. “Wij zijn toen onder leiding van Jan naar Den Haag gegaan. De verantwoordelijke man bij het ministerie wilde ons wel helpen. maar dan moest er een plan en een stichting komen. Eind 1977 hebben we toen de Stichting IJzevoorde en omgeving opgericht met Jan als eerste voorzitter, Ik kreeg, als jonge knul, de functie van penningmeester toebedeeld. Dat heb ik vervolgens 17 jaar volgehouden”, vertelt Herman, het laatste nog levende lid van het oprichtingsbestuur.
Ambitieus plan
Het plan dat de werkgroep opstelde was ambitieus. De verbouw van de bestaande accommodatie en de aanbouw van de nieuwe sportzaal met kleedkamers was begroot op 1,1 miljoen gulden. Het rijk wilde voor 90% subsidiëren, de rest van het geld moest van de gemeente en de verenigingen komen. De gemeente wilde uiteindelijk 61.000 gulden bijdragen waardoor er 31.000 gulden voor de verenigingen resteerde. “Maar we hadden geen cent” zegt Herman. “Om de subsidie van Rijk en Gemeente toch los te krijgen hebben we ons als bestuursleden van de stichting persoonlijk garant gesteld voor het resterende bedrag. De bestuursleden gingen persoonlijk langs bij alle leden van de verenigingen en ze organiseerden de allereerste IJzevoordse rommelmarkt. Het werd een groot succes”., vertelt Herman.
“We gingen ruimschoots over het benodigde bedrag heen en hebben daar nog meubeltjes van kunnen kopen”.
Eind 1979 was het dan zover: het nieuwe kloppende hart van IJzevoorde werd officieel geopend en heet sindsdien “Pokkershutte”.
Vandaag ben ik op bezoek bij Hanneke Edelman aan de Schovenweg in Zelhem. Fruitbomen en bosschages omringen het terrein; de schuur is omgebouwd tot atelier. Het is een lichte ruimte met grote werktafels. Langs de wanden staan kasten met allerhande materiaal: papier, karton, papier-maché, brons, inkt. Hiermee herschept ze de wereld in collages en driedimensionale objecten. Vervorming, vervreemding, fragmenten en restanten zijn haar thema’s.
Hanneke is beeldend kunstenaar. Toen ze jong was, volgde ze eerst de lerarenopleiding en vervolgens de Kunstacademie in Den Haag en Rotterdam. Daarna werkte ze enkele jaren als docente beeldende vorming onder andere op het Ulenhofcollege. Met een jong gezin en een onderwijsbaan bleef er destijds echter niet veel tijd over voor het maken van eigen kunstwerken. Gelukkig is die tijd er nu wel.
Ze is gefascineerd door verval en vervorming; daarin schuilt voor haar een zekere schoonheid. Als kind was ze al bezig met fossielen, knekelhuisjes en ruïnes: wat blijft er over en hoe lang duurt dat dan?
Of wat gebeurt er met vormen die gespiegeld en uit elkaar getrokken worden in een wateroppervlak? Bijvoorbeeld de herfstbomen uit de Slangenburg, met verkleurend blad dat weerspiegeld wordt in de kasteelgracht. Daarvan maakt ze ritmisch samengestelde collages met foto’s en inkt. Het is zoeken naar het juiste ritme, het lijnenspel, de contrasten en de kleurenopbouw. Het lijkt zo eenvoudig, maar het is een langdurig werkproces. En Hanneke is perfectionistisch: het moet helemaal goed zijn en anders begint ze opnieuw.
Zelfs in vervallen en vervormde gebouwen of een vervormd landschap ziet zij schoonheid. Het kan gaan om een ingestort flatgebouw, een beschadigde fabriek of een opgestuwd stuk aardoppervlak. Welke vreemde, nieuwe vormen blijven er over na de verwoesting? Wat kun je nog zien van de oorspronkelijke vorm? Daar maakt ze driedimensionale kunstwerken van karton en papier-maché met tekeningen of foto’s erop. Ze noemt deze kunstwerken ‘fragmenten’ of ‘installaties’. De inspiratie voor deze werken vindt ze in de actualiteit zoals oorlogen, aardverschuivingen of tsunami’s. Ook hier is ze lang bezig om de juiste verhoudingen te vinden. Ze experimenteert met technieken en noteert haar bevindingen en ‘recepten’ in een logboekje.
Hoewel haar werk regelmatig wordt verkocht en geëxposeerd, vindt zij het ontwikkelingsproces zelf het belangrijkst. Dat vond ze vroeger al bij haar leerlingen in het voortgezet onderwijs en nu weer bij de tekencursussen die ze geeft in haar eigen atelier. Daarbij vindt ze het belangrijk dat cursisten loskomen en ontdekken welke technieken en materialen bij hen passen – en dat ze leren goed te kijken. In het najaar start er weer een nieuwe tekencursus en er zijn nog plaatsen vrij.
Daarnaast biedt ze rouwbegeleiding aan, na verlies van een geliefde, van gezondheid of van werk. Dat doet ze op beeldende wijze. In het begin willen vrienden en familieleden er wel over praten, maar na verloop van tijd neemt dat af. Soms zijn er zelfs geen woorden meer voor. Hanneke kan goed luisteren en geeft de mogelijkheid om via beeldende expressie met het verlies om te gaan, met kleuren, verf of klei. En dat zelfgemaakte kunstwerk kan weer gesprekken opleveren die leiden naar een nieuw begin.
In de Martinuskerk in Gaanderen staat een bijzonder object dat ouder is dan de kerk zelf: een rood marmeren doopvont op een houten onderstel met uitgesneden guirlandes. Al generaties lang wordt deze gebruikt bij dopen, maar niemand weet precies waar hij vandaan komt. Een raadselachtig stuk erfgoed, met een verhaal dat de geschiedenis van Gaanderen, Slangenburg en de schuilkerken raakt.
Mooi detail op de deksel van de doopvont. Daar staat een vogel, een pelikaan die in haar borst prikt om bloed te voederen aan een eigen jong. Het ultieme gebaar van zelfopoffering. In de christelijke kunst is de pelikaan een symbool en een metafoor die specifiek verwijst naar de zelfopoffering van Jezus.
Van Ter Gun naar de Martinuskerk De huidige Martinuskerk werd in 1868 gebouwd. In oude parochiearchieven staan tal van schenkingen vermeld — altaren, beelden, kruiswegstaties, preekstoel — maar de doopvont wordt nergens genoemd. Toch stond hij al vanaf het begin in de kerk. Voor die tijd kerkten de Gaanderenaren in de kerk van Ter Gun aan de Rijksweg, gebouwd in 1720. Die werd in 1852 gesloopt, waarna men tijdelijk de schuur van de familie Welmans gebruikte als noodkerk, tot de nieuwe Martinuskerk gereed was. Het is goed mogelijk dat de doopvont toen mee verhuisde. Maar waar stond hij daarvoor?
Schuilkerken op Slangenburg In de 17e en 18e eeuw konden katholieken hun geloof niet openlijk belijden. In de regio waren meerdere schuilkerken, vaak in boerderijen of landhuizen. Kasteel Slangenburg was zo’n toevluchtsoord. Pastoor Plasman van Wijnbergen verzorgde destijds kerkdiensten in de schuilkerk Ter Gun, hield daar missen en doopte er kinderen. In het doopregister van Doetinchem staan vanaf begin 18e eeuw dopelingen ingeschreven met ‘Slangenburg’ als dooplocatie. Het is verleidelijk te denken dat deze doopvont ooit in het kasteel heeft gestaan en daar bij talloze doopvieringen is gebruikt.
De stijl verraadt misschien meer Wat deze theorie ondersteunt, zijn de stijlkenmerken van de doopvont. Het rode marmer lijkt sterk op het marmer dat werd gebruikt in de schouwen van Slangenburg. Het houten onderstel, met guirlandes en bloemmotieven, doet denken aan het houtsnijwerk en stucwerk in het kasteel. En bovenop prijkt een pelikaan, symbool van opoffering, die ook elders in katholieke kunst voorkomt. De stijl past bij de tijd van Frederik Johan van Baer, die rond 1700 eigenaar was van Slangenburg en het kasteel liet verfraaien met rijk houtsnijwerk en marmeren ornamenten. Of de doopvont door een kunstenaar of een plaatselijke ambachtsman is gemaakt, weten we niet. Maar het is aannemelijk dat hij ergens in deze kringen zijn oorsprong heeft.
Hard bewijs? Nog niet. Kans? Zeker. Er is geen hard bewijs — geen rekening, geen akte, geen inscriptie — dat het vermoeden bevestigt. Maar de combinatie van stijlkenmerken, historische gegevens en de bekende praktijk van schuilkerken in de regio maakt het een verhaal met grond onder de voeten. Misschien duikt ooit nog een aanwijzing op in een archief. Tot die tijd blijft het een stukje Gaanderense geschiedenis om te koesteren.
Een erfgoed dat toekomst verdient Vandaag de dag staat de Martinuskerk opnieuw op een keerpunt. Naar verwachting wordt het gebouw in 2026 of 2027 aan de eredienst onttrokken. Om te voorkomen dat het leeg komt te staan of een commerciële bestemming krijgt, hebben betrokken dorpsgenoten de Stichting Behoud Erfgoed Martinus Gaanderen opgericht.
De stichting zet zich in om kerk, pastorie en begraafplaats te behouden als levendige plekken voor het hele dorp. Niet als gesloten monumenten, maar als plekken voor vieringen, concerten, herdenkingen, lezingen, tentoonstellingen, dorpsbijeenkomsten en andere activiteiten die bijdragen aan de gemeenschap van Gaanderen.
Vriend van de Martinus Om dit mogelijk te maken, heeft de stichting de actie ‘Vriend van de Martinus’ gestart. Iedereen kan meedoen — al vanaf € 1 per week helpt u mee om dit erfgoed voor Gaanderen te behouden. De stichting heeft een ANBI-status, waardoor uw gift mogelijk fiscaal aftrekbaar is. Meer informatie of aanmelden? Kijk op www.behouderfgoedmartinus.nl of spreek één van de bestuursleden aan.
Samen sterk voor Behoud Erfgoed Martinus Gaanderen
De Martinuskerk is van Gaanderen — als plaats van geloof, ontmoeting, herinnering en verbinding. Met steun van inwoners, verenigingen en ondernemers wil de stichting ervoor zorgen dat dit zo blijft. En de doopvont? Die blijft hopelijk nog lang staan. Als tastbare herinnering aan het verleden