Kunst in de kijker

Kunst in de Kijker

Anneke Zwager

Vandaag ben ik op bezoek bij Maron Hilverda, beeldend kunstenaar op boerderij Bruggink aan de Heidenhoekweg bij Zelhem. Het is een plek met geschiedenis, hier woonde vanaf 1894 herenboer Bruggink, werden de eerste Achterhoekse Paardendagen gehouden en ontstond Museum Smedekinck.

Sinds zeven jaar woont Maron Hilverda hier met haar man, haar ouders, haar schoonvader, haar kinderen en hun gezinshuis (een langdurige opvangplek voor kinderen uit probleemgezinnen). Daarnaast beheren ze de camping. Ze heeft dus een vol leven en is 24/7 volledig dienstbaar aan anderen. In de voormalige wagenschuur heeft ze haar schilderatelier ingericht. Eén dag per week is ze hier en kan ze ontladen, verwerken, gedachten afmaken en dromen, tekenen en schilderen. Met het geven van schilderlessen is ze onlangs gestopt.

Maron komt oorspronkelijk uit Vlaardingen en volgde in Arnhem de lerarenopleiding aan de kunstacademie, richting schilderen en fotografie. Op 19-jarige leeftijd ging ze op kamers in een vreemde stad, het was een indrukwekkende periode. Ze leerde haar man kennen, kreeg twee kinderen en verhuisde naar Gaanderen. Ze wandelde veel met haar hond, ook in het buitengebied over donkere akkers. Ze besefte daar steeds meer dat de aarde, de grond waarop wij leven, alles in zich draagt. Dit inzicht sloot aan bij een eerder schilderproject over het scheppingsverhaal, met name het eerste deel: het donker en het ontstaan van het licht. Toen ze later een reis naar IJsland maakte ervaarde ze diezelfde oerkracht, de raadselachtige donkere aarde die borrelt, spuit en leeft. Ook hier maakte ze een serie schilderijen van.

In Gaanderen werd Maron gezinshuismoeder en kwam de interactie tussen mensen, kinderen en volwassenen centraal te staan. Dat was zichtbaar in haar schilderijen: een pierrot in een wonderlijke omgeving, of onder water. Haar onderzoeksvraag daarbij was: hoe verhoud ik mij als klein mens tot het grote geheel, de maatschappij. Antwoorden heeft ze niet, kan ze ook niet geven. Voor haar is kunst een manier om gedachten te ordenen en gevoelens een plaats te geven. Ook met bezoekers praat ze hier graag over. In deze interactie zit voor haar de waarde van kunst.

Rond de verhuizing naar boerderij Bruggink en het buitengebied van Zelhem heeft ze vier jaar niet geschilderd. Nu alles op zijn pootjes terechtgekomen is, komen nieuwe zingevingsvragen op. Haar betrokkenheid bij het milieu en de natuurlijke omgeving maakt dat er nu geen mensen meer voorkomen in haar tekeningen en schilderijen, maar dingen die ze in en op de grond vindt: korstmossen, varens of halfvergane planten.

Zo maakte ze onlangs een prachtige, levensgrote tekening in houtskool en krijt van de omgevallen boomstronk vlakbij kasteel Slangenburg. Ook hierin is haar symboliek te zien, de zoektocht naar ‘verbinding.’ Wij zijn als mens verbonden met elkaar en met de natuur. Dat is wat ze met haar kunst wil zeggen.

Nieuwsgierig geworden? Van 8 mei t/m 28 juni 2026 is nieuw werk van Maron te zien in de Koppelkerk in Bredevoort. Atelierbezoek alleen op aanvraag via de website www.maronhilverda.nl


Trots op de vendeliers van buurtvereniging Slangenburg

Harry Krul

Trots is eigenlijk de beste omschrijving voor hoe de mensen van buurtvereniging Slangenburg praten over ‘hun vendeliers.’ Tijdens een bezoek aan commandant Bennie Arendsen en oudgediende Herman Lettink wordt dat al gauw duidelijk. Want waar er in de begintijd slechts één vendelier was, bestaat de groep momenteel – inclusief de muzikanten – uit maar liefst vijftien personen! En dat zijn echt niet alleen ouderen; er zijn er zelfs vier van rond de twintig jaar.

Het interview vindt plaats op de geboortegrond van de vendeliers, want de opa van Irma (de vrouw van Bennie) was Bernard Wennink. Hij begon in 1932 met vendelzwaaien tijdens de kermis in de Slangenburg, bij café De Wiemelink. Omdat de kermis na de oorlog regelmatig ontaardde in vechtpartijen (veelal door dronken Doetinchemmers), is de kermis in 1957 opgeheven.

Pas in 1971 werd buurtvereniging Slangenburg opgericht. Een van de activiteiten van de vereniging was het nieuw leven inblazen van de vendeliersgroep. Bernard Wennink, Roel van Kooten, Gerard Keurentjes, Tonnie Engelberts en Wim Anneveldt gaven de aanzet tot de oprichting van de buurtvereniging. In het begin was Bernard Wennink de enige vendelier. Zo verzorgde hij het ‘zwaaien’ bij Zaal De Veldhoen in Langerak, bij kermissen en dergelijke, op muziek van de aanwezige muzikant die dan de vaandelwals speelde. Bernard gebruikte het vaandel dat in 1932 gemaakt was en dat hij thuis had staan. Hij trad graag op bij ’t Onland. Als daar een feest was en Siebelink verzorgde de muziek, kwam Bernard; hij hoefde zijn hand maar op te steken of de vaandelwals werd ingezet. Bernard zei altijd: “Eén borrel vooraf en dan gaan we zwaaien.” Dat werden er weleens meer, want: “Op één been kun je niet zwaaien.”

Begin jaren zeventig kwamen Herman Meijer en Henk Bongers erbij als vendeliers. Bernard had dat slim aangepakt: hij vroeg eerst Henk, die zei: “Ik wil alleen als Herman het ook doet.” En tot zijn verbazing wilde Herman wel, dus kon Henk geen nee meer zeggen! Op dat moment was Bernard commandant en waren Herman en Henk de vendeliers. Een commandant zwaait niet, maar geeft de orders en doet het praatje voor het bruidspaar of de jarige.

Hoe kwamen ze aan de vaandels?
Leo Smits beschilderde het doek aan twee kanten. Wim Anneveldt maakte de vaandelstokken en Bennie Bannink vervaardigde het koperbeslag: de onderbol met het contragewicht van lood en het bovenknopje. De stok met beslag, contragewicht en doek is behoorlijk zwaar. Hij moet ongeveer halverwege de stok eenvoudig op de hand in evenwicht gehouden kunnen worden – dan is hij goed. De vaandelstok van de dames is iets korter en lichter dan die van de heren. Iedere vendelier heeft zijn eigen vlag.

Het zwaaien gebeurt met zogenaamde slagen: er zijn zes slagen van laag naar hoog, en van linksom naar rechtsom. De rugslagen zijn het zwaarst, zo heb ik begrepen. Voor een voorstelling van zo’n zes minuten moet regelmatig worden geoefend, waarbij degene die voor je staat het tempo aangeeft. Elke derde dinsdagavond van de maand wordt er geoefend bij ’t Onland. Voor beginners worden bezemstelen gekocht, waarmee men eerst flink moet oefenen!

Het zwaaien gebeurt tijdens het buurtfeest zelfs drie dagen achter elkaar: voor de maker van de vogel, bij het opzetten van de vogel, voor de nieuwe koning en bij ’t Onland voor alle prijswinnaars. De laatste zwaaibeurt vond plaats op de 100e verjaardag van Gerda Heurnink.

In de jaren tachtig werd de vendeliersgroep ook uitgebreid met vrouwen. De buurvrouwen hebben toen vaandels geborduurd. Aan de éne kant stond kasteel Slangenburg, aan de andere kant ‘Eendracht maakt macht’. Ook moesten er uniformen komen; daarvoor ging men naar Seezo in Keijenborg.

Op een gegeven moment stopte vrijwel de hele groep, maar kwamen er jongeren voor in de plaats. Zij waren tijdens het buurtfeest enthousiast gemaakt.

De huidige vendeliersgroep bestaat uit vijftien personen: één commandant, drie muzikanten, vijf heren en zes dames die zwaaien. De muziek bestaat uit twee accordeons en één harmonica (trekzak).

Omdat er meer vrouwen bij kwamen, heeft de buurt nieuwe vaandels laten maken. Deze worden in Polen op satijn gedrukt. Het koperwerk van de stokken is duurder dan het bedrukte doek! Omdat er drie nieuwe dames en twee nieuwe heren (allemaal jongeren van rond de twintig jaar) gingen zwaaien, liet men weer nieuwe damesvlaggen maken. Herenvlaggen waren er nog genoeg. De stokken zijn in Silvolde met koper beslagen voor goed houvast – en het staat ook nog mooi!

Commandant Bennie is bijzonder blij met de huidige groep: een mooie mix van jong en oud (van 19 tot 64 jaar), mannen en vrouwen. Hij wil zelf nog een poos doorgaan en vond opa Bernards commandantspet altijd prachtig. Maar die pet én de commandantstok zijn helaas verloren gegaan tijdens de brand bij Bennie Vossers. Sinds kort heeft Bennie een nieuwe, koperbeslagen commandantstok van 90 cm, waarop hij heel trots is.

Volgend jaar, bij het 55-jarig bestaan van de buurtvereniging, zullen de vendeliers zeker weer zwaaien – onder leiding van Bennie.

In de jaren tachtig zijn deze door buurvrouwen geborduurd.


Untitled

Een sprookjeshuwelijk op kasteel Slangenburg

Toos Lenderink

Wanneer ik op bezoek ben bij Bram Maandag en Marijn Hilferink, word ik getrakteerd op een filmpje van hun trouwdag. Het lijkt wel een sprookje.

In de zomer van vorig jaar vroeg Bram tijdens zonsondergang op de Via dell’Amore (Cinque Terre, Italië) Marijn ten huwelijk. Hun zonen Pepijn (12) en Lars (9) waren hiervan getuige. Het antwoord was natuurlijk “ja”, en de locatie was direct duidelijk: kasteel Slangenburg, want daar voelen wij ons thuis. “We komen daar zo vaak – wandelen met de hond, hardlopen of koffie drinken. Het voelt bijna als onze voortuin.” Voor deze speciale dag op 12 september, huurden ze kasteel Slangenburg en het omliggende terrein af. Karen, de manager van het Koetshuis, begeleidde hen in de voorbereiding en samen maakten ze een heel draaiboek.

Vrijgezellenfeesten en voorbereiding

Vooraf vierden ze allebei hun eigen vrijgezellenfeest. “Zo bijzonder dat je vriendinnen en zussen dat speciaal voor jou organiseren. Het voelde als een warm bad”, aldus Marijn.

De ambtenaar van de gemeente Doetinchem, die het huwelijk zou gaan voltrekken, kwam langs en had ook een gesprek met de kinderen: “Wie zijn jullie vader en moeder?” Marijn maakte zelf haar bruidsboeket en bijpassende tafelversieringen.

De huwelijksdag

De ceremonie was in de trouwzaal van het kasteel. In het bijzijn van ouders en naasten spraken Bram en Marijn hun geloften uit: “Wij beloven elkaar te ondersteunen – we zijn samen een team.” Juist als je al langer samenwoont en heftige dingen hebt meegemaakt, heeft dit een diepe betekenis. Het was dan ook een emotionele gebeurtenis.

Daarna werd de trouwtaart aangesneden in het Koetshuis en op de binnenplaats werd er geproost met champagne en volgenden de eerste speeches. Terwijl het bruidspaar op het kasteelterrein werd gefotografeerd, kregen de gasten een rondleiding door het kasteel.

Tijdens de borrel in de boomgaard was er tijd voor nog meer speeches en een gezellig samenzijn onder de stralende nazomerzon.

Het diner vond plaats aan prachtig gedekte tafels in het Koetshuis. Bij mooi weer kan dit ook buiten in de boomgaard.

De feestelijke afsluiting

’s Avonds bracht een bus het hele gezelschap voor het avondfeest naar de DRU in Ulft. Na een speech en openingsdans ging het feest los en werd er afgesloten met groot vuurwerk.

Na afloop bracht de bus de gasten terug naar huis. De jongens gingen logeren bij opa en oma, terwijl Bram en Marijn hun huwelijksnacht doorbrachten in één van de kasteelhuisjes.

De volgende dag ging de trouwjurk opgerold in de handbagage mee op huwelijksreis naar Ibiza. Bram wilde vooraf heel graag Marijn een prinsessengevoel geven. En dat is hem meer dan gelukt!


‘Oogjes dicht en snaveltjes toe’

Deze uil van houtsnijwerk is gemaakt op Zorgboerderij Slangenburg

Gert Jan van de ‘Brouwer’

De senioren onder ons kennen deze uitdrukking nog van meneer de Uil uit de Fabeltjeskrant. ‘De wijze uil’ is bij uitstek een nachtvogel, deze jager wordt actief zodra wij ‘een uiltje knappen’. Er zijn veel uitdrukkingen over deze vogels die we ’s avonds of ‘s nachts horen maar zelden zien. Of ze allemaal kloppen? Feit is dat er meerdere soorten uilen in de Slangenburg voorkomen. 

De trend van de zes voorkomende uilen in Nederland en rondom de Slangenburg is als volgt: Het gaat goed met de bosuil en de kerkuil, maar de steenuil en ransuil nemen helaas in aantal af. De velduil, die hier niet voorkomt, wordt ook zeldzamer. Maar de oehoe, die af en toe even komt buurten, neemt toe in aantal.

‘Elke wijze uil begon als uilskuiken’, maar het kuiken moet wel groot worden en daar zijn bij vooral de kerkuil veel muizen voor nodig: iets anders eten ze niet. De bos- en steenuil eten gevarieerder maar zijn op hun beurt weer prooi voor marters en haviken.

De uil staat niet altijd goed bekend. Iemand kan uitgemaakt worden voor ‘een domme uil’ of ‘met trots een uilskuiken’ zijn en kan zelfs (bij het Slangenburgse buurtfeest) ‘zo dronken als een uil’ zijn. Anderen zien een uil als een slim dier. Feit is dat een uil niet slimmer of dommer is dan andere vogels. Wel horen ze bijzonder goed en kunnen ze ’s nachts zeer goed zien. Daarop mag het ‘zo trots als een uil’ zijn.

Wat baten kaars en bril, als de uil niet zien wil.’ Dit betekent zoveel dat als iemand niet wil luisteren, het ook geen zin heeft deze te overtuigen. Het heeft mede daardoor ook geen zin om overdag uilen te zoeken- uilen zijn immers nachtdieren. Ze zijn vooral op het gehoor waar te nemen.

Ook geldt: ‘Bij wolven en uilen leert men huilen’, wat betekent dat je je moet aanpassen aan je omgeving om te overleven of succes te hebben. Ook uilen moet je zoeken waar ze voorkomen. Op een mooie winteravond tussen oktober en januari kun je tijdens een wandeling in de Slangenburg de bosuilen horen. Het spookachtige hoe-hoe-hoeeee van het mannetje en het ke-wik van het vrouwtje. Geoefende oren herkennen in het vroege voorjaar ook de ransuil en zelfs sporadisch de oehoe in en rond het bos. Afgelopen voorjaar hoorden wij meerdere nachten de roep van een mannetjes oehoe en dit najaar zat er zelfs eentje ‘s morgensvroeg eigenwijs op onze oprit.

Rondom de Slangenburg maken de steenuilen meer geluiden maar kiew-kiew is het luidst. Ze roepen in het voorjaar, zowel ’s nachts als overdag. Het geluid van de kerkuil in het boerenland is meer een spookachtig gekrijs en geblaas tijdens de paartijd in het voorjaar.

Maar zoals je weet ‘Elk uiltje zingt zoals het gebekt is.’


De plek van……smid Bussink in de Heidenhoek

Toos Lenderink

Nog geen honderd jaar geleden zag je in ons buitengebied veel smederijen. Met behulp van hamer en aambeeld werden metalen gereedschappen gemaakt of gerepareerd. Boeren, loonwerkers en paardenbezitters kwamen er voor hun karrewielen, messen, nagels of hoefijzers. Tegenwoordig zijn er nog wel meerdere hoefsmeden, maar slechts een enkele ambachtelijke smid – die zich dan vooral toelegt op siervoorwerpen of hekken. Constructie- en installatiebedrijven werden de nieuwe metaalbewerkers.

Gerrie Bussink vertelt

Gerrie groeide op in Doetinchem. Haar broer Wim werkte bij Boeijink in de Heidenhoek, onder andere in de winkel. Deze Spar-levensmiddelenwinkel organiseerde op een dag een busreisje, en Gerrie mocht ook mee. Tijdens deze reis kwam ze in de kabelbaan naast Herman te zitten. Dat was het begin van een fijne relatie. “Kom mien niet an mien Herman!”

In 1962 trouwden Herman en Gerrie en ze trokken in bij zijn ouders en broer Bennie, op de hoek van de Heidenhoekweg en de Boeyinkweg. Ze woonden in het huis naast de smederij en de winkel. In deze winkel werden onder andere glaswerk, Sola-bestek, pannen, weckflessen en weckringen verkocht, maar ook kachels. Het gebeurde regelmatig dat, net als je tussen de middag aan tafel zat, ineens de winkelbel ging.

Het ijzer smeden als het heet is

Als oudste zoon volgde Herman, zoals toen gebruikelijk was, zijn vader op als smid. Hij leerde het vak van zijn vader, maar volgde ook scholing in Emmeloord, waar hij onder andere leerde lassen. Het vuur in de smederij werd gestookt met speciale kolen, waarmee temperaturen boven de 1000 graden Celsius bereikt konden worden. Boven het vuur hing een soort afzuigkap. Op maandagmorgen werden meestal paarden beslagen, dat rook altijd zo sterk! Behalve smeden en lassen werden er vanaf 1976 ook veel puntstukken gemaakt. Hiervoor moesten gaten in buizen geboord worden. Herman zijn vader haalde de bramen eraf, zodat de buizen mooi glad werden. Gerrie knipte het gaas op maat, dat Herman vervolgens strak om de buizen heen rolde en met soldeertin aan elkaar soldeerde. Het was werk dat met veel liefde werd gedaan. Smeden was mooi, maar ook zwaar werk.

In 1995 overleed Herman helaas na een jaar ziek te zijn geweest. Er was geen opvolger voor de smederij en ook de winkel ging toen dicht. Gerrie heeft uiteindelijk vierenvijftig jaar met veel plezier in de Heidenhoek gewoond.

Ze is blij dat haar oud-buurjongen Sander Velthorst er nu woont, samen met partner Janneke en hun drie dochters Fenne, Linde en Sterre.

Sander werd geboren in Zelhem, maar het gezin verhuisde al snel  naar de woning naast smid Bussink. Hij zei altijd: “Dit hier is een geweldig plekje. Het spreekt voor zich dat ik hier later ook graag wil wonen”. Janneke groeide ook buitenaf op en voelt zich hier helemaal thuis. Voor de kinderen is het een waar speelparadijs achter het huis en de zolder boven de oudere smederij is ook hun domein. Als elektromonteur kan Sander de oude smederij goed gebruiken als werkplaats.

De woning, winkel en werkplaats zijn verbouwd tot een comfortabele, moderne woning. Met advies van een architect, maar grotendeels eigenhandig, met hulp van zijn broer Maarten, die timmerman is. Op zaterdagen kwamen veel vrienden helpen. Broer Maarten is inmiddels hun naaste buurman, als bewoner van het ouderlijk huis. Gerrie woont inmiddels naar tevredenheid in het dorp Zelhem. Naast het contact met haar kinderen en kleinkinderen heeft ze daar ook veel andere sociale contacten en kan daar volop van genieten. Maar bij het jaarlijkse buurtfeest in de Heidenhoek is ze nog altijd van de partij.


Kunst in de kijker

Hanneke is beeldend kunstenaar. Toen ze jong was, volgde ze eerst de lerarenopleiding en vervolgens de Kunstacademie in Den Haag en Rotterdam. Daarna werkte ze enkele jaren als docente beeldende vorming onder andere op het Ulenhofcollege. Met een jong gezin en een onderwijsbaan bleef er destijds echter niet veel tijd over voor het maken van eigen kunstwerken. Gelukkig is die tijd er nu wel.

Ze is gefascineerd door verval en vervorming; daarin schuilt voor haar een zekere schoonheid. Als kind was ze al bezig met fossielen, knekelhuisjes en ruïnes: wat blijft er over en hoe lang duurt dat dan? 

Of wat gebeurt er met vormen die gespiegeld en uit elkaar getrokken worden in een wateroppervlak? Bijvoorbeeld de herfstbomen uit de Slangenburg, met verkleurend blad dat weerspiegeld wordt in de kasteelgracht. Daarvan maakt ze ritmisch samengestelde collages met foto’s en inkt. Het is zoeken naar het juiste ritme, het lijnenspel, de contrasten en de kleurenopbouw. Het lijkt zo eenvoudig, maar het is een langdurig werkproces. En Hanneke is perfectionistisch: het moet helemaal goed zijn en anders begint ze opnieuw.

Zelfs in vervallen en vervormde gebouwen of een vervormd landschap ziet zij schoonheid. Het kan gaan om een ingestort flatgebouw, een beschadigde fabriek of een opgestuwd stuk aardoppervlak. Welke vreemde, nieuwe vormen blijven er over na de verwoesting? Wat kun je nog zien van de oorspronkelijke vorm? Daar maakt ze driedimensionale kunstwerken van  karton en papier-maché met tekeningen of foto’s erop. Ze noemt deze kunstwerken ‘fragmenten’ of ‘installaties’. De inspiratie voor deze werken vindt ze in de actualiteit zoals oorlogen, aardverschuivingen of tsunami’s. Ook hier is ze lang bezig om de juiste verhoudingen te vinden. Ze experimenteert met technieken en noteert haar bevindingen en ‘recepten’ in een logboekje.

Hoewel haar werk regelmatig wordt verkocht en geëxposeerd, vindt zij het ontwikkelingsproces zelf het belangrijkst. Dat vond ze vroeger al bij haar leerlingen in het voortgezet onderwijs en nu weer bij de tekencursussen die ze geeft in haar eigen atelier. Daarbij vindt ze het belangrijk dat cursisten loskomen en ontdekken welke technieken en materialen bij hen passen – en dat ze leren goed te kijken. In het najaar start er weer een nieuwe tekencursus en er zijn nog plaatsen vrij.

Daarnaast biedt ze rouwbegeleiding aan, na verlies van een geliefde, van gezondheid of van werk. Dat doet ze op beeldende wijze. In het begin willen vrienden en familieleden er wel over praten, maar na verloop van tijd neemt dat af. Soms zijn er zelfs geen woorden meer voor. Hanneke kan goed luisteren en geeft de mogelijkheid om via beeldende expressie met het verlies om te gaan, met kleuren, verf of klei. En dat zelfgemaakte kunstwerk kan weer gesprekken opleveren die leiden naar een nieuw begin.

www.kunstenmakerij.net


De plek van…..

Toos Lenderink

Over meerdere bewoners uit de buurtschap IJzevoorde is al eens geschreven. Over gitaarbouwer Jan Lievers, doedelzakspeler Johan van Doesburg, de muzieklessen op school IJzevoorde, Mario Vos van Villa d’ Or en over Gert Besselink, voormalig tuinman van kasteel Slangenburg. In de jaren ’50 van de vorige eeuw stonden er aan de Loordijk in IJzevoorde nog maar weinig gebouwen: onder andere de school, de meesterwoning en het dubbele huis met winkel van Kemper, waar nu Herman en Willy Lettink wonen. Eind jaren ’50 werd de kleuterschool gebouwd en tussen 1976  en 1978 bouwden de families Besselink, Boomkamp en Heusinkveld hun huis aan de Loordijk. Op de kruising met de Turfweg stond het kleine, oude huisje van de familie Tuenter. Zij woonden daar samen met hun dochter Dien, schoonzoon Gert (officieel Gerard maar iedereen noemde hem Gert) Fritz en hun vier kleindochters: Henny, Sonja, Gerdien en Ankie. Het huisje zelf was klein, maar in de grote schuur ernaast waren een douche en wc. (Foto Henny Heurnink-Fritz)

Van deze familie Tuenter woonden er destijds maar liefst twee gezinnen aan de Loordijk. Kleindochter Henny vertelt: “Mijn vader Gert Fritz en moeder Dien Tuenter trouwden destijds in bij opa en oma aan de Turfweg. Tante Aaltje woonde met haar man Bernhard Lettink aan de Loordijk op huisnummer 21, recht tegenover de school. Oom Gert Tuenter woonde met tante Jans in het huis ernaast, op nummer 19.”

Na het overlijden van opa Tuenter kwam er grond beschikbaar, samen met verschillende bouwvergunningen. Het was oma Tuenter die doorzette: de hele familie verhuisde uiteindelijk naar Doetinchem, naar een huis dat door buurman Heusinkveld was gebouwd. Het kleine huis en de schuur aan de Turfweg (zie foto boven), waar Henny destijds woonde, werden gesloopt. De bouwtekeningen voor een nieuwe woning op deze plek lagen al klaar toen de familie Wilms de koop overnam. Zij pasten de tekeningen in overleg met de aannemer nog wat aan en kochten van buurman Roenhorst een aangrenzend stukje grond erbij. In 1979 betrokken Ruud en Tineke Wilms dit huis samen met hun gezin. “We hebben hier vijfenveertig jaar met heel veel plezier gewoond”, aldus Ruud. Onlangs zijn er in dit huis nieuwe bewoners gekomen: Anke en Tjerk Koopman.

Anke en Tjerk Koopman

Anke: “Als je aan komt rijden, is het meteen: de locatie!” “Weinig lawaai, bos in de buurt en de mensen zijn recht door zee”, vult Tjerk aan. “We zochten een klushuis, het mocht nog niet helemaal af zijn.” “Je woont buiten, maar hebt toch buren”, aldus Anke.

Anke en Tjerk kennen elkaar van de middelbare school, een mts waar Anke samen met één ander meisje tussen vijfhonderd jongens zat. Tjerk is van huis uit elektronicus en werkte later als freelancer en technisch directeur bij een bedrijf dat laboratoriumanalyseapparatuur ontwikkelde en verkoopt. Momenteel is hij nog bezig met een methode om endoscopen beter te reinigen. “En een tijdlang kwam hij veel in koeienstallen”, vertelt Anke. “Bezig met het ontwikkelen van apparatuur om celgetallen in melk te meten voor het opsporen van (beginnende) uierontsteking.”

Anke werkte als activiteitenbegeleider bij ouderen. Creativiteit is haar grote passie: ze naait, breit en bedenkt spellen, onder andere voor mensen met een visuele beperking.

Kinderen en kleinkinderen
Op de vraag of ze kinderen hebben, wordt het opeens stil. Ze hebben vier kinderen: Lieke, Selma, Eline en Ronald. Eline, hun jongste dochter, werd geboren met een syndroom en overleed anderhalf jaar geleden. Ze had een lichte beperking en woonde begeleid zelfstandig. Haar laatste tien levensjaren waren intensief en zwaar. Wel hebben ze samen mooie herinneringen kunnen maken.

De andere kinderen wonen niet dichtbij, maar er wordt regelmatig opgepast. Binnenkort wordt hun vierde kleinkind verwacht. Ze denken na over logeermogelijkheden, ook voor vrienden uit hun vorige woonplaats Houten, die de weg naar IJzevoorde inmiddels weten te vinden.

Naoberschap
Dat veel mensen hier al ‘achterom’ komen voor een praatje, zegt genoeg. Ze kennen de buren en Tjerk helpt mee met het ophalen van spullen voor de rommelmarkt. Ook doen ze mee aan andere activiteiten in de buurt. Dat de naaste buren hier ook Annie en Henk heten – net als in Houten – is wel heel treffend.

Vrije tijd en hobby’s
Muziek is een grote hobby van Tjerk. Hij speelde basgitaar in een band, maar door gehoorschade en tinnitus zoekt hij nu vaker een rustig hoekje op. Beiden houden van hardlopen en wandelen. “Hardlopen is hier anders door de omgeving. Vroeger vond ik vooral het moment daarna leuk! Nu is het onderweg ook genieten van alles wat je ziet”, vertelt Tjerk. Anke is ook graag in de tuin, houdt van yoga en fietst veel – sinds de verhuizing op een elektrische fiets vanwege de afstanden.

Plannen
Voor nu eerst nog een beetje tot rust komen. Tjerk knapt zelf de badkamer op, er komt een nieuwe keuken en mogelijk volgen er nog andere aanpassingen. Maar de authenticiteit van deze woning willen ze zeker behouden. “Het verhaal achter de dingen hier, speelt echt mee.”


Loonbedrijf Wisselink: een begrip in Slangenburg en omgeving

Joop Helmink

Gesprek met Jurgen Wisselink
In Slangenburg en omgeving is loonbedrijf Wisselink al bijna een eeuw een begrip. Jurgen Wisselink, derde generatie en eigenaar, blikt terug op de rijke historie en vertelt openhartig over de veranderingen die hem hebben doen besluiten een nieuwe weg in te slaan. Een verhaal over passie, veranderingen en nieuwe kansen.

Een bedrijf met een lange geschiedenis

Aan de Pierikstraat in Gaanderen staat het bekende familiebedrijf: Loonbedrijf Wisselink. “Mijn opa Derk Wisselink begon samen met Hendrik Eelderink het loonbedrijf in de jaren dertig”, vertelt Jurgen. “Toen kwam de mechanisatie van het boerenleven op gang.”

Alles begon met het dorsen van graan. Voorheen gebeurde dat nog met de hand of met een paardenomloop. De eerste investering was groot: een Fordson-tractor met dorsmolen, gekocht voor 1580 gulden. “Dat was toen een enorme som geld”, lacht Jurgen. “Maar het veranderde alles. Iedereen kent de beelden nog wel van die stromijten die op de boerenerven stonden te wachten op de dorsmachine.”

Groeiende mechanisatie

Jurgen is opgegroeid tussen de machines en het boerenland. Als derde generatie heeft hij de mechanisatie echt zien exploderen.
“Toen ik begon, was er al veel gemechaniseerd. Maar wat er daarna is gebeurd, is bijna niet te geloven”, vertelt hij. “Tegenwoordig sturen satellieten de machines aan.”
Hoewel Jurgen de techniek bewondert, heeft hij ook zijn twijfels. Alles wordt grootschaliger, en door het verdwijnen van boerenbedrijven — mede door regelgeving en opvolgingsproblemen — wordt het voor kleine loonbedrijven steeds moeilijker.
“De investeringen zijn enorm”, legt hij uit. “En als boeren stoppen, verdwijnen ook onze klanten en dus onze omzet.”

De boerenstand onder druk

Dat stoppen met bedrijfsvoering door boeren is volgens Jurgen een groot probleem. “Veel boerenbedrijven hebben geen opvolging. En door steeds strengere regels haken nog meer boeren af. Als een veehouder stopt, nemen akkerbouwers het land vaak over en die hebben hun eigen machines. Dan hebben ze ons niet meer nodig.”

Het loonbedrijf richtte zich altijd op gras maaien, kuilvoer inmaken, mais hakselen en graan zaaien en oogsten. “Alles wat met gras, mais, graan en mest te maken heeft, daar hebben wij machines voor”, zegt Jurgen.

Maar hij ziet de toekomst somber in: “Over vijf jaar zijn er in deze omgeving bijna geen boeren meer actief”, voorspelt hij. “In de Gaanderse Hei staan nog steeds dezelfde huizen als dertig jaar geleden, maar er is nog maar één actief boerenbedrijf over: Kroets met zijn mooie melkvee bedrijf.”

Veranderingen accepteren

Jurgen vertelt nuchter over de veranderingen. “Er wordt hard gesaneerd. We moeten eten, maar we maken het onze eigen boeren bijna onmogelijk met alle regels. Tegelijkertijd worden net over de grens grote boerenbedrijven opgestart. Dat steekt wel.”

Het loonbedrijf heeft een lange geschiedenis. In 1974 namen Jurgens vader Gert en oom Herman het over van opa Derk. Later bleef Gert samen met Jurgen eigenaar.
In 2004 sloeg het noodlot toe: door een brand ging het oude pand aan de Lovinkweg verloren. “Dat was heftig”, herinnert Jurgen zich. “Maar we zijn opnieuw begonnen aan de Pierikstraat. Met een modern pand en vernieuwde machines.”

Een nieuwe koers

Na dertig jaar hard werken en bouwen heeft Jurgen nu een moeilijke beslissing genomen. “Ik stop met het loonbedrijf zoals iedereen dat van ons kent en ga kleinschalig verder met wat ik alleen kan”, vertelt hij open. “Het was geen makkelijke keuze, zeker niet omdat ik afscheid moet nemen van medewerkers en klanten waar ik al zo lang mee samenwerkte.”

Maar Jurgen kijkt ook vooruit. Hij heeft naast het loonbedrijf altijd al een handel in houtbewerkingsmachines gehad, en die wil hij nu verder uitbouwen. Onze reparatiewerkplaats staat bekend om het vakwerk dat we leveren. Maar eerst neem ik even de tijd om alles een plek te geven.”

Met zijn ervaring, nuchtere blik en ondernemingszin is Jurgen klaar voor een nieuwe toekomst, waarin vakmanschap en passie opnieuw samen zullen komen.


Halse wagenbouwers houden traditie in ere

Wagenbouwers ’t Fort, Ton Asscheman, Ralph van der Graaf, Martin Grobbe, Joyce van der Graaf, Johan Boomkamp, Yoren Boeren, Robert Beumer, Martin Steenbakkers. Op de foto ontbreken Frank Eskes en Jurgen Legters.

Carel de Vries

“We doen het puur voor de gezelligheid, maar we willen ook wel graag winnen,” zegt Ton Asscheman. Hij spreekt namens de wagenbouwers van buurtschap ’t Fort, genoemd naar de Fortstraat in Halle. Bij dat ‘winnen’ worden ze nogal eens in de weg gezeten door een andere groep wagenbouwers uit Halle, die van de Bielemansdijk.
“Het is elk jaar weer een vriendschappelijke, sportieve competitie,” zegt Ben Radstake van de Bielemansdijk-groep. “Maar uiteraard doen we allemaal ons best om de mooiste en origineelste wagen te bouwen. Het streven is om de wagen elk jaar net weer een beetje mooier en indrukwekkender te maken dan het jaar ervoor.”

Daar zijn de twee groepen inmiddels weer druk mee bezig. In februari begint het bedenken, lassen, timmeren en schilderen. Achter gesloten deuren, want het ontwerp moet tot vlak voor de optochten geheim blijven. Optochten, in meervoud, want behalve door Halle trekken de groepen met hun wagens tijdens de kermissen ook door andere dorpen in de omgeving.

Mooie traditie onder druk

Het wagenbouwen is een brede traditie op het platteland in Oost- en Zuid-Nederland. Je komt de praalwagens tegen in optochten tijdens kermissen, carnaval, bloemencorso’s en Koningsdag. In veel dorpen zijn ze een vast onderdeel van de jaarlijkse feestvreugde.

Met de wagens vertellen de bouwers korte verhalen over actuele politiek, maatschappelijke ontwikkelingen, historische voorvallen en opmerkelijke nieuwsfeiten. Meestal met een knipoog en een dosis humor, nemen ze de onderwerpen op de hak.

Nog elk jaar trekken er honderden wagens door de Achterhoekse dorpen. Maar de traditie staat onder druk. In sommige dorpen is de jaarlijkse optocht met praalwagens al verleden tijd, zoals in Hengelo. En bestaande groepen hebben dikwijls moeite met het vinden van nieuwe (jonge) deelnemers.

Ben Radstake: “Onze groep kan ook wel verjonging gebruiken. Wij zijn inmiddels allemaal zeventig- en zelfs tachtigplussers. Ik denk dat het probleem is dat jonge mensen vaak allebei buitenshuis moeten werken om hun woning op het platteland te kunnen betalen. Mensen zijn druk en hebben weinig tijd. Ook denk ik dat tegenwoordig veel mensen niet meer gewend zijn om met hun handen iets te maken. Zij hebben andere kwaliteiten. Vroeger waren het hier aan de Bielemansdijk allemaal boeren, en die waren gewend om te lassen, te timmeren en aan machines te sleutelen.”

“Ik vind het wel jammer dat het aantal wagens zo terugloopt. Nu doen in de Keijenborg nog zeven wagens mee; dat waren er tien jaar geleden nog tweemaal zoveel. In Halle heb je, naast de bijdragen van de schoolklassen, nog twee grote praalwagens. In Zelhem hebben ze gelukkig nog altijd een mooie grote optocht. Daar doen wij met de twee wagens uit Halle ook aan mee.”

Geheime ontwerpen

De wagenbouwers van ’t Fort hebben veel praktische vaardigheden in huis. Ton Asscheman: “Ik heb gewerkt als werkvoorbereider bij een aannemer en maak dit jaar met de computer de bouwtekeningen voor onze wagen. Daarnaast hebben we een goede lasser, een timmerman en iemand die goed is met mechanica en automatisering in ons team.”

Na de koffie in de keuken van Robert Beumer gaan we naar de schuur achter op het erf, waar aan het nog geheime ontwerp wordt gewerkt. De eerste contouren worden al zichtbaar. Ton: “In februari besteden we altijd twee avonden aan het bedenken van het ontwerp. Na de nodige kopjes koffie en pilsjes komt er dan een plan uit. Op basis daarvan maken wij het ontwerp, we komen vaak uit op politieke thema’s. Belangrijk is dat het een mooie wagen wordt, met bewegende delen en fraai uitgedoste figuranten eromheen.”

De groep van de Bielemansdijk komt bijeen in een grote loods, goed verstopt in een bosje van Gert Wassink. Gert, de nestor van de groep, was vroeger loonwerker en is nog steeds erg handig met het lasapparaat en met machines en werktuigen.
Gert: “Wij doen dit met ons groepje nu al meer dan vijfentwintig jaar. Wij vinden het een uitdaging om van oude, gebruikte materialen weer iets moois te maken. We hebben niet veel geld te besteden, dus we werken alleen maar met tweedehands materiaal en verf.”

Ben Radstake: “In februari komen we bij elkaar. Na het vierde borreltje ontstaat dan meestal wel een idee voor een wagen.” Het idee voor dit jaar wil hij nog niet prijsgeven.

Prijzengeld

Een onafhankelijke jury, vaak afkomstig uit een ander dorp, beoordeelt de wagens. De winnende groep valt in de prijzen. “Maar daarvoor hoef je het niet te doen,” zegt Ben Radstake. “In Keyenborg is de hoofdprijs €500 maar soms is die niet meer dan €25.”

Voor de twee wagens uit Halle start het optochtenseizoen met Sint Jan op 24 juni in Keijenborg. Daarna volgen de optochten in Halle, Halle-Heide, Zelhem en tot slot, eind oktober, de optocht in De Veldhoek.

Ben Radstake: “Na De Veldhoek zit het seizoen erop. Dan breken we de wagen weer af en beginnen we na de winter weer na te denken over welk thema we dat jaar eens bij de kop zullen pakken.”

Wagenbouwers Bielemansdijk, vlnr: Ben Radstake, Dinie Buunk, Gert Wassink, Jan Beendsen, Gerrie Buunk en Bennie Smeitink.

Zaterdag 6 juli reden beide wagens mee in de kermisoptocht te Halle. En zo mooi zijn ze geworden:


Kunst in de Kijker

Weefwerk van Riek Bruggink – te Voortwis

Anneke Zwager

Deze keer ben ik op bezoek bij Riek, weefster in hart en nieren. Wat begon met een patroon uit de Ariadne is uitgegroeid van een serieuze hobby tot kunstenaarschap. Ik word ontvangen in een kamer in Scandinavische sfeer en veel licht. Er hangt een prachtig wandkleed aan de muur in verschillende kleuren rood. In de boekenkast staan verschillende driedimensionale weefwerken. Zoiets heb ik niet eerder gezien; daar wil ik meer van weten. Het werk van Riek ziet er modern en professioneel uit. Ze doet het bijna vijftig jaar en heeft zich systematisch ontwikkeld. En dat blijkt wel als ze vertelt.

Riek is geboren in een boerengezin in Breedenbroek, kreeg daar de eerste jaren les van meester Silias (die later in Halle-Heide lesgaf). Verdere scholing volgde in Aalten en Doetinchem. Ze leerde haar man Cor kennen en als jong stel vestigden ze zich in Ede, later met de drie zoons in Almelo en nog weer jaren later in Doetinchem. In de jaren ‘70 maakte Riek kennis met het weven, ze deed een basiscursus en ging op een geleend weefgetouwtje aan de slag. Ze kreeg van haar man een mooi tafelgetouw, zodat ze zich verder kon bekwamen. En van het één kwam het ander. Ze werd lid van een weefkring en uitgedaagd tot nieuwe onderwerpen en technieken met name door veel te experimenteren. Ze deed opleidingen in handvaardigheid en textiel, gaf les en lezingen, schreef artikelen en vervulde bestuursfuncties.

Ze ontwikkelde haar eigen stijl: abstract, gebaseerd op structuren en ritmes. Als je het hebt over weven, dan heb je het over de schering (de ketting) en de inslag. Als ketting worden garens gebruikt. Voor de inslag gebruikt Riek niet alleen garens zoals wol, linnen en katoen maar ook koperdraad en papier. En dat papier wordt gevouwen en soms beplakt en geborduurd. Koperdraad geeft de mogelijkheid om het werkstuk te vormen tot een driedimensionaal object. Haar inspiratie vindt ze in natuurlijke ritmes en structuren, zoals afdrukken van de branding op het strand, of het blad van de wingerd in de herfst. Als vanzelf gebruikt ze daarmee veel aardekleuren. Naast wandweefsels en objecten weeft ze ook sjaals.

Ze vertelt over een werkstuk dat bij haar in de kast staat. Ze had jaren geleden foto’s gemaakt van hout dat bij Lettink in IJzevoorde lag te drogen, zowel van de kopse kant als de lange kant. Mooie structuren zag ze er in, daar kon ze vast wel wat mee. Ze maakte wat proeflapjes om de structuren te vatten, daarna werden de lapjes opgerold om er weer ‘boomstammetjes’ van te maken. Dat vroeg wel om een lange ketting en een nog langere ketting, dus moest ze die opnieuw opzetten. Uiteindelijk werden de boomstammetjes gestapeld en tot een blok gemaakt. En de titel werd: STAPELGEK.

Van elk project wordt het hele proces van experimenteren, variëren en de ervaringen genoteerd en in een map gedaan. Zo kan ze altijd terugkijken. Die aantekeningen worden weer gebruikt als ze een cursus geeft. Want dat doet ze nog steeds. Ze vindt het fijn om anderen te inspireren en te zien wat anderen met de ideeën doen.

Misschien lijkt het of Riek niets anders doet dan weven. Dat is zeker niet waar. Ze was en is actief op sociaal gebied, o.a. in verschillende kerkelijke werkgroepen, de Wereldwinkel en Museum Smedekinck. “Want” zegt ze, “werken met en voor mensen is toch waar het echt om gaat in het leven.”

Meer info op www.wevenriekbruggink.nl