Eten en gegeten worden in de natuur

Gert Jan van de ‘Brouwer’

Ook in de Slangenburg heerst het recht van de sterkste. Vroeger was dit de familie van Baer. Zij bezaten het jachtrecht en zaten aan de top van de voedselketen. Jagen is tegenwoordig beperkt tot het beheren van de reeën stand door de WBE (wildbeheereenheid) maar verder regelt de natuur dit zelf. We praten dan over een voedselketen. In je tuin herken je dit ook. De zangvogeltjes eten insecten en zaden maar worden op hun beurt weer gegeten door vleeseters zoals de sperwer. Welke voedselketens komen we tegen in en om de Slangenburg? De dieren in de top van de voedselketen zijn het meest kwetsbaar, uitgezonderd de mens.

Laten we beginnen met het zonlicht waardoor groene planten gaan groeien; bomen, gras en andere planten. Deze planten worden gegeten door rupsen en andere planteneters. Rupsen en maden veranderen in vliegen en vlinders. Rupsen en vliegen worden op hun beurt weer gegeten door spinnen, duizendpoten en andere kriebelbeestjes. Vervolgens eten vogels en insecteneters zoals egels en spitsmuizen zowel de rupsen als die andere kriebelbeestjes. De meeste vogels zoeken eiwitten in de vorm van rupsen en insecten voor hun jongen. Een gedeelte van deze vogels eet zelf ook zaden. De vogels die alleen insecten eten, vertrekken ’s winters aangezien hier dan geen insecten zijn. De zaadeters blijven overwinteren. Om de kringloop compleet te maken zijn er roofvogels zoals uilen en roofdieren die vogels eten maar ook andere planteneters zoals muizen en hazen. Elke soort heeft zich gespecialiseerd in bepaald voedsel. Is dat voedsel er niet, dan sterft deze soort uit of gaat elders op zoek naar dit voedsel. Sommige roofvogels vertrekken daarom ook ‘s winters. Denk maar aan de boomvalk en de wespendief.

Een vergelijkbare kringloop kun je ook in het water tegenkomen. Daar begint het met algen die door watervlooien gegeten worden die vervolgen weer verorberd worden door kleine visjes die daarna weer door grotere vissen gegeten worden. De vissen zijn vervolgens weer een prooi voor reigers, aalscholvers, maar tegenwoordig ook voor de otter in de Bielheimerbeek en misschien een passerende zeearend.

De natuur is flexibel als deze niet verstoord is. Zijn er teveel rupsen dan leggen de koolmeesjes meer eitjes en brengen meer jongen groot die op hun beurt ook weer rupsen eten. Zijn er veel muizen dan groeit het aantal kerkuilen. Maar andersom kunnen dieraantallen ook sterk afnemen zoals het ijsvogeltje. Deze winter zullen er veel overleden zijn door ijs op sloten en beken. Ze kunnen niet lang zonder visjes. Maar gelukkig herstellen ze zich meestal snel.

Bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is het belangrijk dat ze alleen de plaagsoort bestrijden en niet alle andere beestjes. Ook kunnen we natuurlijke of biologische middelen gebruiken. Het verleden heeft ons geleerd dat soorten door vervuiling, inkrimpen van leefomgeving, maar ook door de aanplant van exoten, verdwijnen. Denk aan de ooievaar die rond 1970 bijna verdwenen was door te agressieve bestrijdingsmiddelen en verlaging van het grondwaterpeil. De ooievaar is echter na verbetering van de leefomgeving met succes geherintroduceerd. Soorten die wel krimpen zijn weidevogels, maar ook roofdieren, zoals de bunzing, hermelijn en wezel. Voor hen was te weinig voedsel beschikbaar in en om de Slangenburg. Voedsel kan ook afnemen door de aanplant van exoten die slecht gegeten worden door lokale dieren. Dit kunnen bomen zijn zoals de Douglas en de Hemlockspar die de familie Passmann in de Slangenburg aanplantte. Door extensivering van de akkers en de aanplant van gesubsidieerde akkerranden met wildmengsels in en rondom de Slangenburg wordt tegenwoordig de omgeving voor b.v. de patrijs maar ook voor kleine zoogdieren weer verbeterd. En daar profiteren de dieren bovenin de voedselketen ook weer van.