Slangenburger

Joop Helmink

Volgens mij ben ik een echte Slangenburger en daar voel ik me best goed bij. Hoe is dat zo gekomen? Ik ben al jaren geabonneerd op de Slangenburg-boode en lees met plezier de artikelen die de redactie ons voorschotelt. Wij wonen in de Gaanderhei en dat voelt alsof we een beetje clandestien Slangenburger zijn. Want hoever reikt het grondgebied van Slangenburg? Her en der navraag gaf mij de overtuiging dat het grondgebied van Slangenburg wordt begrensd door de Akkermansbeek in de Gaanderhei naar de Kerkstraat in Gaanderen richting Rekhemseweg tot de Zumpe, de Zelhemseweg tot Zelhem via de Nijmansdijk richting Westendorp tot de Keppelbroeksdijk naar de Akkermansbeek.

Dat legitimeert mij om me Slangenburger te voelen omdat wij woonachtig zijn aan de Hertelerweg tegen de Akkermansbeek. Dat wil overigens niet zeggen dat grenslanders van dit gebied geen aanspraak kunnen maken op deze titel.

Ik heb ook wel wat met de Slangenburg; als jongeman uit Doetinchem liep ik al in de Slangenburg mijn joggingsrondje op de trimbaan die daar toen was en genoot van de prachtige natuur. De Zumpe was voor mij en mijn vader een prachtig wandelgebied, waar we Anna Hoegen op de fiets met de melkbussen tegenkwamen als ze naar haar koeien ging om ze te melken. De wintervoorraad aardappelen voor ons gezin die in de herfst werd aangekocht kwam van boer Heuthorst van de Varseveldseweg. Als basisschoolleerling was ik bevriend met Tonnie Heurnink van de Turfweg waar ik mijn eerste clandestiene rondje op een Berini-bromfiets samen met Tonnie maakte en scheurde over de zandwegen in IJzevoorde. Mijn vrouw Leny een echte Gaanderse heibewoonster heeft haar roots dus ook in de Slangenburg. De schaatsrondjes op de gracht tijdens de koude winters worden graag uit haar herinnering opgediept. Later toen onze dochters Karien en Lisette een baantje zochten om wat zakgeld bij te verdienen hebben ze jarenlang als kamermeisje en hulp in de huishouding op het kasteel Slangenburg dienst gedaan. Zij vertelden over het kasteelleven met de gasten; de sfeer was bijna zoals het er vroeger aan toe moet zijn gegaan op een kasteel, zo kwam het bij mij over. Ze vertelden over het interieur van het kasteel en ik was jaloers omdat ik dat ook wel zou willen beleven. Tot op heden is het er niet van gekomen om eens met een excursie mee te gaan, maar dat gaat zeker een keer gebeuren.

Het mystieke klooster van de paters heeft mij ook altijd geïntrigeerd. Als katholiek opgevoede jongen met ervaring als misdienaar heb ik af en toe een dienst bijgewoond in de kapel. De plechtige sfeer, de wierook en de mooie Gregoriaanse gezangen hebben veel indruk gemaakt.

Onze dochter Karien met haar man Edwin en hun twee kinderen zijn ook trotse Slangenburgers. Ze wonen op de voormalige boerderij van de familie Witten bij ons op het erf aan de Hertelerweg. We zijn trots dat de vierde generatie van dezelfde familie op deze plek is komen wonen. Nu onze zoon Robert Jan, zijn vrouw Jet en hun drie dochters op de boerderij de Voorst aan de Turfweg zijn gaan wonen en daardoor ook Slangenburgers zijn geworden, is de cirkel rond en is de band met Slangenburg definitief bevestigd. Alleen onze dochter Lisette met haar gezin woont op de Heerlijkheid Etten (en dat is bijna net zo mooi als de Slangenburg).

Ik hoop u in de toekomst meer te kunnen vertellen over hoe de Slangenburg en omgeving een rol in ons leven speelt.

“Good goan”


Boom met boodschap

Jan Berends

Wanneer men de Holdrostweg inrijdt, vindt men links een pad, dat naar de parkeerplaats voert. Bij het begin van het pad aan de rechterzijde is een inscriptie in een beuk aangebracht. Er werd mij altijd gezegd, dat deze herinnerde aan één van de vele onderduikers, die in de Tweede Wereldoorlog hun schuilplaats vonden op Slangenburg.

Nieuwsgierig geworden werd een onderzoek gestart naar het hoe en wat van deze boodschap. Er staat duidelijk te lezen:

A de Vries uut Aerdt
EKW B131
1 / 4 1945
den dag van den bevrijding
kippenhok
bij J Til
Slangenburg

Eerst voerde het onderzoek naar boerderij het Park, waar de familie Til lange tijd woonde en daarna naar Drempt, waar nog een nazaat het verhaal kan vertellen. Het betreft hier een geëvacueerd gezin De Vries uit Aerdt, dat in februari 1945 bij de familie Til op het Park terecht kwam. De verdere naspeuringen voerden naar Aerdt op bezoek bij de familie De Vries.

Hoe zat het nu precies in elkaar? Vader Bernard en zoon Jan Til waren begin 1945 met paard en wagen gevorderd door de Orgination Todt om werkzaamheden voor de Duitsers te verrichten op het Gelders Eiland. Bij het passeren van de kwekerij De Vries in Aerdt was er een Engelse luchtaanval en konden vader en zoon op de kwekerij in de kelder bescherming vinden. Bij het afscheid de volgende morgen beloofde Bernard Til, dat wanneer het nodig was de familie De Vries bij hen op Slangenburg welkom was.

In februari 1945 was het zover. Het Gelders Eiland moest ontruimd worden en zo trok de familie De Vries met een aftands paard voor de wagen richting Achterhoek. In moeilijke omstandigheden kwam men terecht in Stokkum en dan herinnert men zich de toezegging van Til. Vader De Vries trekt naar Slangenburg om de mogelijkheden te onderzoeken en het gezin kan terecht in een goed schoongemaakt kippenhok, rechts van de Holdrostweg.

Familie De Vries voor het kippenhok. V.l.n.r. staand: Evert, moeder Maria de Vries-Hasse, vader Anthonius de Vries en Wim, zittend: Nico, Johannes en Anthonius. De dochter ontbreekt (coll. Henny Til)

Het verblijf is, gezien de omstandigheden, prima. Het ontbreekt hen aan niets en men heeft een goed verblijf op Slangenburg. Dan is de bevrijding daar en wordt de betekenis van de inscriptie duidelijk: Het betreft het gezin van A. de Vries uit Aerdt, EKW betekent geëvacueerd en B 131 is het huisnummer in Aerdt. Op 1 april is de bevrijding van Doetinchem e.o. die de familie in het kippenhok bij Til beleefde.

In het proces voor de Raad voor het Rechtsherstel, waar de familie Passmann getracht heeft het in beslag genomen landgoed terug te krijgen, is ook aangevoerd, dat Hermann Passmann veel gedaan zou hebben in het belang van de vele onderduikers. Dit feit werd niet bewezen verklaard. Weliswaar had rentmeester G. Beltman wel eens met zijn landheer daarover gesproken, maar de schaarse bezoeken van Hermann Passmann haalden eventueel bewijs onderuit. De regeling van het helpen van onderduikers en het verstrekken van brandhout e.d. op Slangenburg moet geheel op het conto van rentmeester Beltman of de betreffende pachters worden geschreven. worden geschreven.

(Verkorte versie van ‘Levend monument op Slangenburg bij boerderij ’t Park’ uit Kronyck van Deutekom nummer 110, blz. 26).


Pleegzusje Anneke

Toos Lenderink

Op een miezerige middag begin januari komt Mineke Können-Woolschot uit Zaltbommel haar persoonlijke verhaal vertellen. Ze is geboren en opgegroeid in de Slangenburg, Halseweg nr 1, voorheen S 46 E.

foto

Begin zomer 1943 werd aan haar ouders, Marinus en Hanna Woolschot gevraagd om een Joods meisje in hun gezin op te nemen, zoals destijds wel meer gebeurde hier in de regio. Anneke woonde sinds korte tijd bij ds. Troelstra in Halle, maar deze werd beroepen in Wageningen. Hij vond het daar te gevaarlijk voor haar en zo kwam Anneke bij de familie Woolschot in huis. Moeder Hanna bereidde Mineke voor door haar te vertellen dat ze een pleegzusje kreeg. Mineke verstond plee-zusje en kende dit woord alleen als de destijds gebruikelijke wc. Ze begreep er dan ook niet veel van. Ze was altijd de oudste dochter in huis geweest met nog twee jongere broertjes en vond het wel leuk om een zusje te krijgen. Anneke was een jaar ouder dan Mineke en vader nam Anneke op schoot en zei tegen het nieuwe zusje: “En no’w bun i‘j de oldste”. Ze kreeg meteen een vaste plek in het gezin. Gelukkig klikte het vanaf het begin goed tussen Mineke, Anneke en de andere gezinsleden. Anneke had het wel over haar twee broertjes maar niet over haar ouders. Ze vertelde dat iemand haar had begeleid tijdens de reis per bus. Mineke kende alleen de cacao- en beschuitbus en was dan ook heel verbaasd te horen dat die bus zo groot was, met wielen eronder en dat daar dan mensen in zaten!

Leerplicht

Op 1 april 1944 was Anneke zes jaar en zou ze eigenlijk naar school moeten. Maar in de Nijmanschool zaten Duitsers en vader vond het risico veel te groot. Een jaar later, op 1 april 1945 was de oorlog in Slangenburg voorbij en begonnen Mineke (6 jaar) en Anneke (7 jaar) gezamenlijk als een tweeling op de lagere school. Ze gingen identiek gekleed en zaten altijd naast elkaar. Op een gegeven moment wilden ze allebei ook wel naast een vriendinnetje zitten maar moeder Hanna zei:” I’j wet wa’j an mekare hebt, blief maor naost mekare zitten”.

Herman, Wim, Mineke Woolschot en Anneke

Tijdens de oorlog werd de familie soms door een oom (die bij het verzet zat) gewaarschuwd: “Er komt een razzia aan”, waarna Anneke door vader werd weggebracht om tijdelijk elders onder te duiken. Aan het eind van de oorlog waren er Duitsers ingekwartierd op de boerderij. In de opkamer stond zendapparatuur. Dit was voor de kinderen spannend maar ook wel leuk. De soldaten maakten grapjes met de kinderen. Maar ze waarschuwden vader ook: “Pas op voor die éne man, die schiet je zo maar overhoop”. Op advies van deze Duitsers brachten ze de nacht met het gezin door in de kelder. De volgende ochtend waren de Duitsers verdwenen. Tijdens de bevrijding mochten Anneke en Mineke naar de verharde weg. Daar hielden de bevrijders halt en trakteerden op chocolade. Andere buren, o.a. Jo en Gerrie Wolsink waren hier ook. Iets lekkers werd thuis altijd gedeeld maar de bevrijders zeiden dat ze ook chocolade meekregen voor thuis en dat ze dit hier echt mochten opeten.

Hereniging met overgebleven familieleden

De ouders, pleegzusje Anneke en de broertjes van Mineke

Na de oorlog bleek dat van de familie van Anneke van vaders kant alleen opoe en tante Lien de oorlog hadden overleefd. En van moeders kant de zussen Gretha (met gezin) en Els. Tante Els vindt Anneke terug en wordt haar voogd. Mieneke’ s vader wordt toeziend voogd. Vanaf dat moment hebben Mineke en Anneke twee paar ouders. Anneke heeft de lagere school afgemaakt in de Nijman. Maar daarna vond haar familie dat Amsterdam beter was voor haar verdere scholing. Mineke had mede door haar contacten in Amsterdam een sterke drang zich verder te ontwikkelen. Woonde zelfs een tijd in Amsterdam bij tante Els en oom Dick in, die haar graag wilden bemoederen. Ze ging naar Amerika. Mineke besefte als jong meisje al dat vrede en vertrouwen niet vanzelfsprekend zijn. Anneke is op 23-jarige leeftijd getrouwd en heeft met twee dochters, een zoon en kleinkinderen een rijk gezinsleven. Tussen de gezinnen van Anneke, Mineke en tante Els ontstond een heel speciale band.

De Duitsers lieten in de jaren 40-45 hun oog vooral vallen op monumentale panden om te vorderen. Zo ook het huis aan de Varsseveldeweg 234, waar tot voor kort Riek Klumper-Luesink woonde. Hier waren SS-ers ingekwartierd die halsoverkop naar Doesburg vertrokken om in Arnhem parachutisten te bestrijden. Op de buitenmuur van het huis zijn de ingekerfde SS-kenmerken nog te zien.


Slangenburg hoofdkwartier bij ‘Een brug te ver’

Jan Berends

Na zware gevechten in Normandië hadden gehavende Duitse pantsertroepen van het tweede SS Panzerkorps in augustus 1944 zich teruggetrokken en op de Veluwe en op Slangenburg een plaats gevonden om zich te hergroeperen. Dit alles onder de grootste geheimhouding.

Van deze tiende Panzer Division Frunsberg (op Slangenburg) en de negende Hohenstauffen Division (op de Veluwe) onder generaal majoor W. Bittrich was het hoofdkwartier op kasteel Slangenburg gevestigd.

Hoewel de Duitsers rekening hielden met mogelijke luchtlandingen bij Arnhem verwachtten ze niet, dat deze voor het einde van de maand september zouden plaatsvinden. De landingen van zondag 17 september waren dan ook een grote verrassing. Ook veldmaarschalk Walther Model werd in zijn hoofdkwartier Hartenstein in Oosterbeek verrast door de neerdalende Airbornes en spoedde zich naar de Achterhoek. Vanuit Slangenburg zouden de tegenaanvallen bij Arnhem en Oosterbeek worden geleid.

De Oberkommandatur werd, beschermd door een onderdeel, ondergebracht in de bijgebouwen van het kasteel en er was een deel van de soldaten gelegerd in de Stadsheideschool tegenover het hervormde kerkje. In de lanen werden ruimtes gegraven om tanks en geschut te verbergen voor waarnemers vanuit de lucht. Onder camouflagenetten stonden luchtdoelkanonnen op het voorplein van het kasteel en op weilanden rondom. Het veiligheidscordon lag ruim vijfhonderd meter rond het kasteel en werd streng bewaakt.

Door de ondergrondse waren al deze maatregelen ook opgemerkt en onder levensgevaarlijke omstandigheden werden alle mogelijke inlichtingen verzameld, waaruit geconcludeerd kon worden, dat op het kasteel zich een hoofdkwartier bevond. Toch werden deze inlichtingen door de geallieerden niet geloofd. In hun optiek bestonden deze pantserdivisies niet meer. Hoewel de pantserdivisies gehavend waren, vormden ze tegenover de geallieerde troepen een geduchte tegenstander, waardoor de veel lichter bewapende soldaten zich moesten terugtrekken en het belangrijkste doel van de operatie Market Garden, het veroveren van de kanaal- en rivierbruggen over Maas, Waal en Rijn jammerlijk mislukte en het einde van de oorlog nog maanden op zich liet wachten.

Was de Slag om Arnhem een succes voor de geallieerden geworden, het had ongelofelijke ellende bespaard: de vele doden bij de nog geleverde gevechten, die nog volgden, het westen van het land had de vreselijke hongerwinter niet gekend en de steeds toenemende terreur tegen de bevolking en de laatste transporten van de joden naar de vernietigingskampen hadden niet meer plaatsgevonden.

Het kasteel stond en staat nog fier in de Slangenburgse bossen. Als de geallieerden geloof hadden gehecht aan de zo moeilijk verkregen inlichtingen van het verzet, was met grote zekerheid kasteel en omgeving prooi geworden van een Engels bombardement op dit Duitse hoofdkwartier en net als bijvoorbeeld de Doornenburg grondig verwoest.

Zo ziet men, in de geschiedenis kan alles vreemd verlopen, het hangt af van kleinigheden.

Verkorte versie van ‘Gerard W. Velhorst, Oberkommando Slangenburg werd para’s bij Arnhem fataal’ uit Kronyck van Deutekom,nummer 101, blz. 10. De uitgebreide versie is verschenen in de Slangenburgh-boode van maart 2014


Oorlog en bevrijding

Stichting Doetinchem Herdenkt heeft 75 jaar na de oorlog veel activiteiten in gang gezet om de geschiedenis van Doetinchem in de Tweede Wereldoorlog onder de aandacht te brengen en de slachtoffers te herdenken. In de periode van 19 maart tot 2 april 1945 werden veel bombardementen op Doetinchem uitgevoerd. Op en rond de stad werden mensen, dieren en huizen getroffen. Ook landgoed Slangenburg kreeg haar deel. De redactie wil aansluiten bij het goede initiatief van Doetinchem Herdenkt en brengt hierbij verhalen en foto’s van het landgoed en zijn bewoners tijdens en na de oorlog.

Fietstocht langs oorlogsherinneringen

Toos Lenderink

Karel Berkhuysen en nog drie andere vrijwilligers van Stichting Doetinchem Herdenkt, begeleiden ons per fiets langs diverse historische oorlogsplekken in Doetinchem, Slangenburg en Gaanderen.

Aan de Hofstraat waar de Gelderse Tram Maatschappij gevestigd was, is onze eerste stop. Hier hadden de Duitsers tanks opgesteld staan en werd er onderhoud aan de voertuigen gedaan. Na het bombardement op 21 maart 1945 was dit ook de plek waar veel lichamen in rijen lagen ter identificatie.

Karel Berkhuysen geeft uitleg tijdens de fietstocht

Aan de Ds. Van Dijkweg staat villa Bouchina (waar ook vrouwenarts Van Aken woonde). Hier werden bevoorrechte Joden gehuisvest die op de lijst van NSB-leider Mussert voorkwamen. Deze joden kregen een voorkeursbehandeling, maar gingen uiteindelijk ook naar Duitse concentratiekampen. Een aantal joden dat op deze lijsten voorkwam heeft de oorlog overleefd.

In villa Ruimzicht (nu hotel-restaurant) was ten tijde van de oorlog een peilcentrum ingericht. Peilauto’s traceerden waar zenders verborgen zaten.

De Kruisbergse gevangenis

Gevangenis de Kruisberg is een monumentaal pand waarin mensen in deze oorlogstijd gevangen werden gehouden op een onmenselijke manier. Het gebouw is ook opengesteld voor publiek. Twee cellen zijn zoveel mogelijk ingericht in de staat van de Tweede Wereldoorlog. De Doetinchemse verzetsvrouw Iet Gerritsen zat er, evenals de Britse piloot Peter Thorne en de 46 slachtoffers van het Rademakersbroek. De verhalen zijn opgetekend en te zien. Kirsten Zimmerman heeft alle omgekomen gevangenen een gezicht gegeven.

Iet Gerritsen en Peter Thorne

In ‘t Kattennest, aan de Gaarde is de volgende stop. Hier was het radarcentrum Stellung Rosengarth gevestigd dat rechtstreekse telefoonlijnen had met kasteel Slangenburg, Baak en Hummelo. Deze telefoonlijnen werden vaak gesaboteerd. Of de kabels van de schijnwerpers werden doorgesneden. Dan kregen velen een oproep: melden bij boerderij Roozegaarde voor kabelwacht.

Op kasteel Slangenburg mocht de Duitse generaal Wilhelm Bittrich na hevige gevechten in Normandië tot rust komen. De familie Passmann was de eigenaar van het kasteel. Dit was dus Duits eigendom.

De normale telefoonlijnen werden afgeluisterd. Maar de PGEM had een eigen telefoonnet dat daarom ook door het verzet werd gebruikt. In Slangenburg zaten veel onderduikers op boerderijen en soms in een hol in het bos.

Langs de Bouwhuisbrug naar de Peppelmansdijk. Hier is een vliegtuig neergestort destijds. In Gaanderen aan de Kerkstraat heeft een bommenwerper zijn bommen afgegooid. Hierbij werden negen mensen gedood. Het vliegveld van Misset aan de Badweg, was ook een gewild doelwit voor geallieerde vliegtuigen.

Het asperge-oorlogsmonument bij de Bouwhuisbrug in Slangenburg, geplaatst door de Oudheidkundige vereniging Gander, herinnert aan de jaren 1939 en 1940 waarin voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog Nederlandse militairen op strategische plaatsen werden gelegerd waar ze versperringen opwierpen om zo de opmars van de vijand te vertragen. Deze versperringen (demontabele ijzeren staven en asperges genoemd) werden in gaten in het wegdek geplaatst.
Bij een aanval kon zo de doorgang worden geblokkeerd


IJSVOGEL

Roel Lubbers

De hele zomer heb ik rondgekeken of ik de ijsvogel op de Slangenburg kon vinden, maar dit jaar is het niet gelukt. Niet één. Graag wil ik dit wijten aan mijn eigen gebrekkige waarnemingsvermogen. Andere jaren zag ik er ieder jaar wel één. Bij de gracht, bij de Beneden-Slinge, de Bielheimerbeek en ook een keer, maart 2018, bij de nieuwe vijver aan de kruising Loordijk – IJzevoordseweg. Maar in 2018 en 2019 stonden de visvijvers droog, de Beneden-Slinge was helemaal dichtgegroeid en de waterstand in de Bielheimerbeek en de gracht was laag. Heeft de droogte ook gevolgen voor de ijsvogel? Hoe het de laatste jaren is geweest, weet ik niet, maar in het verleden waren er altijd één of twee broedparen op het landgoed.

‘Een blauwe flits’, zo wordt de vogel wel beschreven. En inderdaad, wanneer je hem ziet, is het meestal snel scherend over het water, luid roepend met een schel schriie. Als je geluk hebt, zie je hem wel eens zitten, op een tak boven water. De Zutphense dominee Martinet barst in jubel uit over “het schoonste van alle onze Vaderlandsche Vogelen”. Ieder oordeel is subjectief, maar een mooi vogeltje is het zeker: bovenkant van kop en romp blauw (met een groenige glans), borst rood-oranje en witte vlekken bij de kop. De vogel heeft een buitenmodel zware snavel en een minuscuul staartje. Man en vrouw zijn te onderscheiden, doordat de man een geheel zwarte snavel heeft, terwijl bij het vrouwtje de ondersnavel voor het grootste deel oranje is.

De ijsvogel is afhankelijk van water. Zijn voedsel vindt hij duikend in het water van een beek, een vijver of een rivier. Het water moet niet te beweeglijk zijn, want de vogel vist ‘op zicht’. Hij kan de breking van het licht kennelijk verrekenen bij zijn duik, want na de duik komt hij met zijn prooi (meestal een klein visje, ook wel een insect). Meestal dan, want hij mist ook wel eens.

Ook voor het broeden is hij afhankelijk van het water: het nest wordt uitgegraven in een steile oeverwand, een gang van soms wel een meter diep. In dat nest komen de eieren, soms wel acht, soms wel drie of vier broedsels per jaar, afhankelijk van het voedselaanbod. Visresten en poep maken, dat in de vogelboekjes de geur wordt gemeld. “Dit stinkt”, schrijft meester Zwart uit Ruurlo (1918).

Een bijzondere kwestie is de aantalsontwikkeling van deze vogel: in oude boeken wordt hij altijd omschreven als ‘schaars’. In de jaren ’60 ging het slecht: watervervuiling en de strengste winter van de eeuw (1962/’63). Waarschijnlijk waren er minder dan vijftig broedparen. Daarna ging het beter: het water werd schoner. In strenge winters (ondanks de naam van het dier) sneuvelen er veel exemplaren doordat ze hun voedsel niet kunnen bereiken. Midden jaren ’90 was de laatste echt strenge winter, in deze eeuw nog wel eens een wat koudere winter, maar in het algemeen ging de stand van de ijsvogel vooruit. Het aantal broedparen in 2018 wordt geschat op 450 tot 550.

Aan de oever van dit beekje bij de parkeerplaats van het
kasteel werd vorig jaar een ijsvogel gesignaleerd

De klimaatverandering lijkt gunstig uit te pakken voor de ijsvogel. Maar nu dreigt als nieuw probleem de droge zomer?

Er is de laatste decennia het besef ontstaan dat al dat te vlot afvoeren van het water niet goed is voor het land. Het veranderde waterbeheer (‘ruimte voor de rivier’) heeft de ijsvogel geholpen. Oorspronkelijke beekbeddingen worden weer uitgegraven (..), oevers natuurlijker gemaakt, niet alle omgevallen bomen worden geruimd.


De plek van ……

Dierssen Halfweg

Toos Lenderink

In de B&W-vergadering van 22 november 1934 (burgemeester G.J. Massink en secr. L.K. Wierenga) wordt aan J.W. Dierssen, Koopman, vergunning verleend tot het plaatsen van een benzinemotor van 5-8 P.K., voor het in werking brengen van een pompinstallatie ten dienste van de watervoorziening van een op te richten ijsbaan, in het pand Heidenhoek, B no.73, kadastraal bekend gemeente Zelhem, Sectie G no.1300. (uit: afschrift Vergunning Hinderwet, privéarchief Willy Dierssen, kleinzoon). De krant vermeldt: “Met een durf en voortvarendheid, die in dezen tijd prettig aandoet (het is immers crisistijd), heeft de heer J. Dierssen, eigenaar van café Halfweg aan den weg Zelhem-Doetinchem, besloten tot den aanleg van een ijsbaan”.

De baan wordt 334 meter lang en 10 meter breed, terwijl nog een apart kinderbaantje aanwezig is. De waterstand in de omringende sloten is hoger gelegen dan de baan, zodat het gemakkelijk is enkele centimeters water op de baan te laten lopen; na twee nachten vorst verwacht men al op de baan te kunnen rijden; door ‘s nachts nieuw water op de baan te brengen is deze in prima conditie te houden. Er komt een muziekkoepel, tevens consumptietent; de baan wordt elektrisch verlicht, er zijn aardige zitplaatsen van graszoden overal, enz. Het werk wordt uitgevoerd door de N.V. Aannemers Mij. v.h. D. Jansen & Zn, te Aalten. In de winter van 1934/35 kon er al gereden worden.

Kunstschilder H.E. Knaake (geb. 2-2-1863, overleden 24-12-1948), hobby schoonrijden, opende op zijn 73e, ‘Dierssen-Halfweg’ met een eerste rondje. Hij gold als een ontwikkeld man en schaatste met zijn breed gerande hoed op, vaak.

Uit het archief van Willy Dierssen blijkt dat in 1948 de politie toestemming verleende om de baan op zaterdag 21 februari en volgende dagen te openen. Openingstijden waren van 13-17 uur en van 18-22 uur. De heer Dierssen moest daarvoor vermakelijkheidsbelasting betalen aan de gemeenteontvanger, de heer L.J. Bieleman, tot een bedrag van ƒ 276,85 hetgeen een aanzienlijk bedrag was in die tijd.

Op de baan was een damestoilet opgenomen in de eerste buitenbocht en een herentoilet in de tweede. In de verhalen van Zelhemmers ontstonden in ijsperiodes veel liefdesrelaties: IJsbaan Halfweg was een waar huwelijksbureau in de winter. Als mooi voorbeeld kennen we Jan Eelderink (82 jaar, loonbedrijf) en zijn vrouw Greta. Na 5 jaar verkering zijn ze al 58 jaar met elkaar getrouwd!

v.l.n.r. Vrijwillegers Jan en Greta Eelderink, Joop Chevalking en Arie Helmink

Jan is inmiddels erelid van de IJsvereniging na jarenlange veelzijdige inzet. Sinds 2 jaar heeft de vereniging de baan in bruikleen van de Gemeente Bronckhorst. Met een optie tot koop. Als betaling hiervoor wordt het onderhoud van de baan gedaan inclusief de heg rondom het parkeerterrein. Hierbij zijn veel vrijwilligers actief:

  • vrijwilligers die helpen als de baan open is, bij kassa, koek en zopie en baanonderhoud
  • vrijwilligers die voorafgaand aan het seizoen helpen om de baan winterklaar te maken
  • vrijwilligers in het bestuur

Bij al deze activiteiten zijn extra mensen van harte welkom!
Daarnaast zijn er meerdere bedrijven die de vereniging helpen door machines en vakmensen beschikbaar te stellen. Zonder hun hulp is het bijna ondoenlijk om de baan en de schaapskooi te onderhouden. In januari 2017 is er op ’t Veld (van Tonnie en Jannie Klein Lebbink) geschaatst door de ijsvereniging Zelhem. Op de IJsbaan van Dierssen Halfweg kon in maart 2018 twee dagen geschaatst worden en in 2019 alleen op 25 januari één dag! Veel werk dus voor kortdurend plezier. Maar wetenschappers voorspellen het komende seizoen een strenge winter; de koudste sinds 100 jaar! Dat belooft veel goeds voor deze 85 jaar oude ijsbaan.

Voor iedereen die op zoek is naar een duurzame relatie: haal je schaatsen uit het vet en kom naar Dierssen Halfweg zodra de ijsbaan open is. Geniet van deze oer-hollandse sport. En word je niet warm van iemand anders op de baan, dan wel van het schaatsen zelf of in de schaapskooi.

Geen schaatsijs meer bij Dierssen Halfweg? Dan is de vereniging welkom op ‘Veld bij Tonnie en Jannie Klein Lebbink

Bron: www.ijsverenigingzelhem en voorzitter Heino Benthem


Staartmees

Roel Lubbers

We zoeken paddenstoelen op een grijze herfstdag, eind oktober, met succes: mijn kleindochter is enthousiast bij de vliegenzwam, instortende inktzwammen en een vreemd gevormde stuifzwam. En dan zijn er ineens de staartmezen op deze nogal stille middag.

Fragment van een litho van J.G. Keulemans, uit Het Vogeljaar (1904) door J.P. Thijsse

Ze klinken als ‘sie-sie-sie’ (in onze spelling is het moeilijk weer te geven !), hoog en ijl. Bij het hertenkamp op de Slangenburg, aan de kant van de (nog steeds droge) beek, scharrelt een groepje staartmezen. Ze gaan van de klinkerweg in de richting van de parkeerplaats , zodat ik ze al snel niet meer hoor. En ineens komen ze terug, achter elkaar, één voor één vliegen ze over de weg en landen in een van de bomen bij het bruggetje. Daar beginnen ze onmiddellijk aan hun acrobatische voorstelling: de één hangt op de kop aan een tak, de ander dwarrelt van tak naar tak. De vogels hangen aan de dunste takjes. Zo’n groepje staartmezen is een en al beweging. En ze roepen, behalve ‘sie-sie-sie’ ook zoiets als ‘srrr’, een kort trillertje. Zo houden ze contact met elkaar. Waarschijnlijk is zo’n groepje staartmezen een familie.

Staartmezen zijn niet zeldzaam (23.000-28.000 broedparen; ’s winters zijn er veel, hoewel het aantal afneemt), de vogels ‘melden zich’, dat wil zeggen dat je ze meestal eerder hoort dan ziet, en toch, wanneer je ze ziet … ze zijn, zoals mijn kleindochter het noemt, ‘schattig’. Het zijn kleine, dwarrelende bolletjes met een te lange staart. Licht van onderen, bruin-zwarte vleugels en staart en duidelijke zwarte band aan de zijkant van de witte kop, vlak boven de grote ogen. Bij het ene exemplaar is de kopstreep veel duidelijker en breder dan bij het andere. Bij jonge vogels valt de streep iets minder op doordat de kop nog niet helder wit is. De Scandinavische ondersoort, de witkopstaartmees, komt spaarzaam in Nederland voor. Wanneer we al eens een staartmees met een vrijwel geheel witte kop zien, is dat waarschijnlijk een kleurvariant van de gewone staartmees.

Hoe een staartmees aan zijn naam is gekomen, lijkt wel duidelijk, hoewel … volgens de wetenschap is de staartmees niet verwant aan de ‘echte’ mezen. Maar volgens de leek lijkt hij er wel op. De wetenschappelijke naam, ‘caudatus’, verwijst ook naar de staart. Voor ons is het aardig om naar een paar volksnamen te kijken. In sommige delen van het land heet hij langstaartje. In Groningen wordt hij ‘moessien’ (muisje) genoemd, waarschijnlijk omdat hij zo klein en beweeglijk is. Maar wat te denken van ‘doodshoofdje’ (voor exemplaren met een witte kop?) of ‘ossenkopje’ (in Vlaanderen ‘ossenbolleke’)? Dat geldt ook voor de naam die voorkomt in de verkorte editie van Katechismus der Natuur van Martinet, (1809): “de kaasmusch met zijn ’langen staart en witten kop”.

Beter te begrijpen is ‘dansekstertje’. Dat dansen zal wel zijn oorsprong vinden in het speelse en beweeglijke gedrag van het vogeltje en de vergelijking met de ekster in de tekening van donker en wit in combinatie met de lange staart. Met dat dansen heb ik een grappige ervaring. Jaren geleden hadden we een nest in de tuin. Zo’n nest is prachtig. Bolvormig, waarbij de bodem wat uitgezakt lijkt. De buitenkant is bekleed met mos, een opening aan de zijkant. Staartmezen leggen ongeveer tien eieren. Wel, we hadden dus een nest in de tuin. Vanuit de kamer hadden we er goed zicht op. Eén van de vogels ontdekte in het spiegelende glas van de schuurdeur een indringer in zijn territorium. Steeds zat hij op de klink van de deur en danste voor het glas om de eveneens dansende indringer te verdrijven. Die ging echter niet weg, waardoor er voortdurend gedreigd moest worden. Op de deurklink ontstond een bergje vogelpoep. Schoonmaken! Maar binnen de kortste keren eenzelfde hoopje. Ik had een oplossing: een plaat karton voor de ruit, waardoor de spiegeling verdween. Maar nee, de oplettende vogel ontdekte dat boven de plaat karton nog steeds een indringer te zien was. En nu dat dansen, tweede deel: hij/zij zat op de klink, fladderde loodrecht omhoog tot de spiegelende ruit en probeerde wederom zijn spiegelbeeld te verdrijven.


Kerkuil

Roel Lubbers

Zes jongen, een flink legsel. Geweldig! Ik mag erbij zijn wanneer Theo Weijers jonge kerkuilen gaat ringen.
Achter de boerderij hangt in een open schuur een grote kast, waarin de kerkuilenfamilie haar nest heeft. Het oudste jong ziet er al echt uit als kerkuil, de jongste is nog een echte pluizenbol. De vogels beginnen te broeden wanneer het eerste ei gelegd is. Het leeftijdsverschil bij de jongen is goed te zien. De vogels worden gewogen, krijgen een ring om de poot, de vleugel wordt gemeten en alles wordt genoteerd.

De ringer legt uit dat het succes voor de vogels sterk afhankelijk is van het voedselaanbod: muizen. Kennelijk is het een goed muizenjaar, want met zes jongen is dit een flinke familie. Wanneer het voedsel zeer ruim beschikbaar is, wil een kerkuil wel een tweede, een enkele keer zelfs een derde legsel produceren. In jaren met weinig muizen komen er weinig jonge vogels groot en stort de uilenpopulatie wat in. Daardoor hebben de muizen weer minder vijanden en groeien in aantal, waardoor een paar jaar later de uilen weer meer jongen krijgen. Op deze manier ontstaat een flinke schommeling in de populatie. Doordat de uilen zo goed gevolgd worden, weten we precies hoe het gaat met de broedsuccessen. Zo vlogen er in 2018 van de eerste legsels 7.730 jongen uit, tegenover 12.113 in 2017. De verwachting is, dat het dit jaar weer erg goed zal gaan. Weijers heeft in ‘zijn’ gebied al 120 uilskuikens geringd (eind mei 2019). Vanaf begin jaren ’60 nam het aantal kerkuilen sterk af, tot omstreeks 100 broedparen in 1979. Daarna neemt het aantal broedparen weer toe: bepaalde soorten gif zijn verboden en de beschermende maatregelen van talrijke vrijwilligers werpen hun vruchten af. Zij plaatsen nestkasten en proberen de biotoop van de dieren te verbeteren. Vanaf 2000 lijkt het aantal kerkuilen weer op de populatie van de jaren ’50 en schommelt tussen de 2.000 en 3.000 broedparen, soms meer.

“Het ideale leefgebied van de kerkuil is een half open cultuurlandschap met allerlei kleinschalige elementen. De kerkuil is een specifieke jager van het open veld en komt het meest voor waar gras- en bouwland worden begrensd door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes.
Maar ook ruig begroeide, slecht onderhouden graslandgebieden, grasstroken en wegbermen worden als jachtterrein benut.” (J. de Jong, De kerkuil. Een handleiding voor beschermers).
Deze beschrijving geldt ook voor andere vogels van het boerenland, die in de knoei zijn gekomen: kneu, patrijs. Voor de boeren zijn uilen een belangrijke bondgenoot: een volwassen uil eet vier of vijf muizen per dag. De jongen krijgen er drie. Het hierboven beschreven gezin met zes jongen verbruikt dus ruim 25 muizen per dag. De jongen zitten ongeveer negen weken in het nest. Een uilenfamilie maakt het gebruik van gif overbodig! En dan te bedenken, dat er op het erf van de boerderij waar geringd werd, ook nog een torenvalknest zat met vijf jongen, die vergelijkbare aantallen muizen nuttigen. Zware tijden voor de muizen!

Een andere factor die het aantal uilen beïnvloedt, is ‘het weer’. Kerkuilen hebben het moeilijk in strenge winters, wanneer er voor langere tijd een dik pak sneeuw ligt. De muizen blijven onzichtbaar. Waar kerkuilen ook onder lijden, is het verkeer. Jaarlijks sneuvelen enkele honderden kerkuilen op onze wegen.
Kerkuilen jagen op ongeveer een meter hoogte. Een bekend probleem is, dat uilen de wacht houden op hectometerpaaltjes aan de snelweg. Zien of horen ze een muis, dan vliegen ze op en een ongeluk is zo gebeurd. Vanaf 2014 heeft Vogelbescherming in samenwerking met Rijkswaterstaat een proef uitgevoerd in Friesland. Over een traject van drie kilometer zijn hectometerpaaltjes geplaatst met een rol aan de bovenkant. Een vogel kan daarop niet zitten (tip: Youtube en vul als zoekterm in: Paaltjes voor kerkuil langs snelweg). Ter vervanging zijn voor de vogels drie meter hoge zitpalen geplaatst. Van daaraf vliegen ze, hopelijk, over de auto’s. De proef is succesvol en wordt uitgebreid.

Nog even terug naar de jonge vogels. Grappig is te zien hoe de jonge uilen bij het ringen zich ‘dood’ houden. Ze liggen een voor een rustig op de weegschaal, krabben of pikken niet. Dit in tegenstelling tot de jonge torenvalken, die zich proberen te verdedigen. Zo hebben de dieren verschillende manieren om zich te beschermen.

De ringers (Theo Weijers en zijn collega’s) zijn allemaal vrijwilligers. Ze hebben een dure hobby tot nut van het algemeen. Ze krijgen medewerking van de boeren, die er zelf ook voordeel van hebben. Ze betalen alles zelf: het hout, de ringetjes ( € 0,75 per stuk) en de benzine (Weijers rijdt 3.000 tot 5.000 km per jaar in de Achterhoek).
De werkgroep Achterhoek en Liemers is financieel afhankelijk van particulieren en instellingen. U begrijpt het al: bijdragen zijn zeer welkom: NL02 RABO 0111109736 t.n.v. M.J.A. Hageman, Kerkuilenwerkgroep Achterhoek en Liemers.


KOEKOEK

Een tekening uit het schetsboek van Jan Brandes, gemaakt
tussen 1770 en 1787

Blij verrast: tijdens mijn fietstochtje op één van de eerste dagen van mei een koekoek gehoord. Ver weg klinkt het eentonige ‘koe-koe’. Ik probeer op de fiets wat dichterbij te komen en wanneer de afstand klein genoeg is (je weet nooit hoe ver zo’n vogel verwijderd is), imiteer ik de koekoek, fluitend op mijn handen. En het lukt: hij laat zich zien, vliegend naar een andere boom en gaat weer roepen. Hij laat zich in de luren leggen.

Roel Lubbers

De koekoek is een grijze vogel met een lange staart. Hij heeft een horizontaal gestreepte borst, net zoals bijvoorbeeld een sperwer of een havik. Roepend zit hij op een paal, boomtak of een hek. Wanneer je hem nadoet, vliegt hij rond, op zoek naar zijn concurrent. Vrouwtjes zijn
ook grijs, hoewel er een bruine variant voorkomt. De koekoek is een echte zomervogel. Hij komt in april en na het leggen van de eieren, in juni of juli, verdwijnen de volwassen vogels weer naar tropisch Afrika. De jonge dieren vertrekken later. Dat betekent dat koekoeken maar drie tot vijf maanden in ons land zijn. Dit kortstondig verblijf heeft in het verleden geleid tot een merkwaardig volksgeloof.

In 77 na Christus publiceerde de Romeinse schrijver Plinius de Oudere het eerste deel van zijn Naturalis Historia. Hij verzamelde alle bekende feiten over de wereld: geologie, menskunde, akkerbouw, geneeskunde, biologie enz.. In 2004 verscheen er een uitgebreide selectie uit dit boek in vertaling. Wie dit leest, ziet hoe feiten in alle tijden wel eens bedacht zijn. Plinius over de koekoek: “De koekoek schijn uit een havik te ontstaan door in een bepaalde periode van het jaar van gedaante te veranderen; de andere haviken vertonen zich, met uitzondering van een zeer beperkt aantal dagen, in die periode immers niet. Zelf is de koekoek ook gedurende een beperkte periode in de zomer te zien; daarna wordt hij niet meer waargenomen. (…)
Ook verandert hij van roep. (…) Hij legt zijn eieren altijd in nesten van andere vogels, vooral van duiven. (…) De reden dat de koekoek zijn jongen bij andere vogels onderbrengt is, zo denkt men, dat hij weet dat hij bij alle vogels gehaat is, want zelfs de kleinste vallen hem aan. Daarom denkt hij dat zijn nakomelingen alleen veilig zijn als hij bedrog pleegt en daarom maakt hij geen nest.” Nog in de twintigste eeuw werden soortgelijke verhalen verteld.
Het merkwaardige van de koekoek is natuurlijk dat gedrag: hij legt andere vogels in de luren. De koekoek is polygaam en heeft geen vast territorium. Het vrouwtje houdt de voor haar specifieke soort vanaf een uitkijkpost goed in de gaten en legt een ei in het nest van een zangvogel, de zogenaamde waardvogel. Het ei lijkt op de eieren van die waardvogel. Wanneer de jonge koekoek uit het ei kruipt, is zijn eerste activiteit het verwijderen van eieren en eventuele jongen van de pleegouders. Je zou zeggen, een stuk of tien eieren, dat moet genoeg zijn om de soort in stand te houden. Het gaat echter verschrikkelijk slecht met de koekoek: sinds de jaren ’50 is de soort in heel West-Europa afgenomen met ongeveer de helft, in Nederland sinds 1990 met minstens 20%. Hoorde je vroeger bij zomerdag steeds wel een koekoek, nu valt het op wanneer je er een hoort. De waarschijnlijke oorzaak: de koekoek eet rupsen en de afname van vlinders is rampzalig.
De waardvogels zijn ook insecteneters en hebben ook te maken met voedseltekorten. Bovendien zou er een mismatch zijn tussen de aankomsttijd van de waardvogels, die een halve maand eerder broeden dan vroeger en de koekoek, die zijn vaste tijd behoudt. Zo mist hij de eerste mogelijkheden voor zijn parasitaire gedrag.

De kaarten in de Vogelatlas laten zien dat in onze omgeving de koekoek bepaald geen algemene vogel meer is en in alle grootschalig landbouwgebieden (met minder uitkijkposten voor de vrouwtjeskoekoek) hard is achteruitgegaan.